Doe de hemel in een grote pan

Nuno Júdice: Recept om blauw te maken. Uit het Portugees vertaald door August Willemsen. Wagner & Van Santen, Sliedrecht, 36 blz. ƒ 20,–

Voor de Portugese dichter Nuno Júdice (Algarve, 1949) bestaan gedichten eerst uit de klank van de woorden, vervolgens komen die woorden op papier te staan en tot slot dringen ze door in het hart van degene voor wie de woorden bestemd zijn: de geliefde. Zij is onbereikbaar, natuurlijk.

Tijdens het afgelopen Poetry International in Rotterdam trad Júdice op met zijn verzen die, heel anders bijvoorbeeld dan die van de Australiër Les Murray, een delicaat evenwicht bewaren tussen beschouwing en lyriek, tussen gedachtengang en elegie. Hij schrijft poëzie in een betrekkelijk zeldzaam genre, eerder dat van de redenering dan van de associatie of woordopeenstapeling. Zijn gedichten zijn glashelder.

August Willemsen vertaalde Júdice's gedichten onder de intrigerende titel Recept om blauw te maken. In het titelgedicht, het achtste uit de bundel van dertien, beschrijft hij poëzie als het herscheppen van de hemel - het onmogelijke dus. De openingsregels luiden: 'Wanneer je blauw wilt maken,/ neem dan een stuk hemel en doe het in een grote pan,/ die je op het vuur kunt zetten van de horizon;/ roer daarna door dit blauw een restje rood/ dat van de ochtend over is, totdat het oplost.' Geleidelijk aan moet de meesterkok er het stofgoud van de middag aan toevoegen, totdat uiteindelijk het wonderlijke hemelsblauw onstaat, dat een mengvorm is van zovele kleuren.

Júdice's geboorteplaats ligt dicht aan de Atlantische Oceaan. Zijn poëzie getuigt van de ruigheid van het rotsachtige landschap daar, gecombineerd met het weidse vergezicht. Wolken in al hun gradaties, van stapelwolken tot grijze nevel, spelen een grote rol in zijn werk. Hijzelf, dichter van de kust, ziet hoe de wolken vanuit de oceaan komen opzetten en overdrijven naar het vasteland. Hij vergelijkt de wind met een 'veeleisend herder' die de wolken opjaagt. Eenmaal aangekomen boven het land transformeren de wolken tot grijze nevel, die de mensen in de steden in een waas van verveling hult. Tot zover lijkt dit eerste gedicht uit de bundel, 'Correspondentie' een proeve van natuurlyriek. Maar aan het slot draait het gedicht om zijn as, en maakt Júdice er een liefdesgedicht van. De witte wolken verdichten zich tot de grijze dagen van de ziel, ze verduisteren het leven, tot zij uiteindelijk de voorboden zijn van 'een winter van eenzaamheid/ in aantocht.' En dan de fraaie slotregels: 'Tenzij je, in die zwarte hemel, deze brief leest/ die ik je nu stuur.'

Het gedicht is een liefdesbrief, altijd bestemd voor iemand, nooit zomaar voor niets geschreven. Het zijn sobere poëtische middelen die Júdicie gebruikt. Nadrukkelijk rijm is er nooit, wel een subtiel binnenrijm. De spankracht van zijn regels is vooral afhankelijk van een effectief en ook getemperd gebruik van het enjambement. Breeduit over de bladspiegel waaieren de gedichten, ze zijn lang en elegant geschreven. Ik moest denken aan een Griekse dichter als Yorgos Seferis en de Alexandrijnse K.P. Kavafis vanwege de luciditeit van het vers. Er komt geen duistere passage in voor.

De beeldspraak is het hart van elke poëzie. Fascinerend is het gedicht 'Kinderjaren', waarin Júdice op soepele, spannende wijze de verwarringen van de prille kindertijd oproept, waarin de fantasie haar grenzen nog niet kent. De verrassing schuilt in de tweede regel: 'Het was in de jaren dat ik hoorde van de storm die/ huizen omwierp en uitheemse bomen plantte/ op het kerkplein.' Een ander, minder dichter misschien, had het beeld van het omverwerpen door de storm voortgezet in het omgooien van de bomen. Júdice niet: eerst smijt de wind omver, vervolgens plant diezelfde wind bomen. Dat beeld klopt met de werkelijkheid: de wind brengt zaden mee van ver. Dat contrast tussen huizen tegen de vlakte en de zich oprichtende bomen is trefzeker en fraai. Het geeft aan het gedicht een enorme ruimte.

Voor Júdice bestaat een gedicht uit een klein universum van tegenstellingen. In het gedicht met de taalkundige titel 'Semiologie' (de leer der tekens) analyseert hij in drie strofen wat een woord en zijn betekenis is: 'Ik zeg: liefde. Er zijn woorden die solide lijken,/ terwijl andere vergaan tussen je vingers.' Het woord 'liefde' is zo'n woord dat onder je handen kan verpulveren, want het betekent zoveel. Daarvan is Júdice zich terdege bewust. Hij vervolgt: 'Ik heb je lief. Ik zou ook kunen zeggen: de eenzaamheid/ waarmee ik van je houd, of ook: de angst je lief te hebben.' Tot slot komt hij bij een onheilspellend inzicht, namelijk dat alles intens samenhangt: 'En juist daarom/ is alles één: liefde, eenzaamheid en angst.'

In dit gedicht schuilt een mathematische opbouw. De dichter plaatst een stelling en varieert daarop, zoals thema en motieven in een compositie van Bach. Ook al zo'n wiskundige. En uiteindelijk komt hij tot een even vanzelfsprekend als onontkoombaar slotakkoord: een woord is nooit eenduidig, zoals de semiotiek dat wil. Een woord bestaat uit zoveel aspecten. Net zoals liefde, angst en eenzaamheid een en hetzelfde zijn. Júdices poëzie spreekt van deze ontdekking.

    • Kester Freriks