Dit was dus niets

Uit de rouwadvertenties begrijp ik dat Ernst Ris dood is. Hij was barkeeper in een bekend Amsterdams café, en in die hoedanigheid ook zeer geliefd onder zijn cliëntèle, maar voor mij was hij de man die mij heeft geleerd hoe je razendsnel een stukje moet schrijven. Uit de voorafgaande zin moet u niet afleiden dat hij een soort leermeester was, het zit namelijk iets anders.

Als jong maatje leerde ik hem kennen op de School voor de Journalistiek. Als hij in de zon ging staan, hing er duidelijk zichtbaar een damp van talent om hem heen. Hij was nog niet eens afgestudeerd toen hij voor deze krant al een column mocht schrijven, iets waar ik natuurlijk erg jaloers op was. Op zijn 25ste werd hij aangesteld als tv-recensent van Het Vrije Volk.

Op een keer belde hij op of ik voor hem in wilde vallen. Zo schreef ik mijn eerste stukje in een echte krant. Een week later belde hij weer, toen weer, en weer, en ten slotte schreef ik drie keer in de week als invaller een kritiek. Dat ging lekker.

Het was op een ochtend, het zal een uur of zeven geweest zijn, toen ik door een redacteur van HVV werd gebeld met de vraag waar ik bleef. Hoezo? Het was toch de beurt van Ernst. Jawel, maar die was nergens te vinden. O juist. De redacteur vroeg of ik toevallig gekeken had, wat ik kon beamen. “Mooi”, zei de redacteur, “schrijf jij dan nog even een stukje. Je hebt een kwartier.” Waar het stukje over ging weet ik niet meer, maar het moet zijn gelukt. De uitdrukking van H.J.A. Hofland “even een stukje fabrieken” is mij toen in volle omvang duidelijk geworden.

Nog geen week later was het weer raak. Opnieuw had Ernst al het contact met de buitenwereld verbroken, maar dit keer lag de zaak iets gecompliceerder. De avond tevoren was ik namelijk naar de bioscoop geweest, ik had dus geen enkel tv-programma gezien. “Geeft niks”, zei dezelfde redacteur, “schrijf maar wat, maakt niet uit waarover, als het maar binnen een kwartier klaar is.” Schrijf maar wat.

Met die opdracht zat ik nu achter mijn bureau. Het schijnt dat Louis-Paul Boon, als hij het even niet meer wist, een pijltje gooide op een krant en dan begon te schrijven over het woord waarin het pijltje terecht was gekomen, maar Boon was een schrijver met een groot oeuvre. Als ik het mij goed herinner, heb ik toen een stukje geschreven over de weduwe Piatigorsky-Rothschild, die in haar tuin een groot kanon had opgesteld, waarmee zij in het geval van opstand, de armste buurten van Los Angeles onder schot kon houden. Het stukje sloeg nergens op, met televisie had het helemaal niets te maken, maar het was, geloof ik, wel een aardig stukje.

Een week later vloog Ernst eruit bij HVV en ik vloog met hem mee. Die vuige socialisten! “Ik voorspel je”, zei Ernst, “met die krant kan het nooit meer wat worden.” En mooi dat hij gelijk kreeg, want niet lang daarna werd het hele Vrije Volk opgeheven.

Na die gebeurtenis ben ik hem enige tijd uit het oog verloren, tot ik hem weer tegenkwam als barkeeper. Dat was zijn stek. Sommige mensen zijn zo laconiek dat zij het niet eens meer de moeite waard vinden van hun talenten gebruik te maken. Zo iemand was Ernst. Volgens mij is hij ook de uitvinder van de zin: “Ik zeg maar zo, ik zeg maar niets.” Het boekje dat een paar jaar geleden door een aantal van zijn vienden is samengesteld, draagt de titel: “Zo. Dat was dus niets. Was het maar altijd zo.”

Echt veel geschreven heeft Ernst niet meer na zijn avontuur bij HVV. Hij vertaalde nog wel eens wat, maar ook dat beschouwde hij niet als een echte levensvervulling. Of hij ergens in teleurgesteld was, weet ik eigenlijk niet. Hij leek mij op zijn manier heel tevreden. Toen bekend werd dat hij longkanker had, is er een bijeenkomst met zijn vrienden geweest, waarin hij zonder rompslomp vertelde dat het er nu bijna op zat.

Het aan hem opgedragen boekje besluit met een van zijn barkeepersuitspraken: “Tien minuten geleden heb ik besloten wereldberoemd te worden. Het is weer niet gelukt.”

    • Max Pam