De middeleeuwen van Wilmink; Reddingsboeien voor de ziel

Willem Wilmink: Mijn middeleeuwen. Bert Bakker, 124 blz. ƒ 25,90

Nijmeegse Marieke/Mariken van Nieumeghen. Vertaling Willem Wilmink.

Prometheus/Bert Bakker, 242 blz. ƒ 45,- 'Zowat elke kathedraalstad is een bruisende stad', stelt Willem Wilmink vast op een van de laatste bladzijden van zijn boek Mijn middeleeuwen. Hij heeft het over 's Hertogenbosch en de Sint-Jan wekt levendige herinneringen. Aan het cafébezoek van zijn vader, aan de vriendelijke dame met het lichtblonde haar-op-zolder met wie die vader in druk gesprek was geraakt terwijl Wilmink, een jongen nog, zwaar onder de indruk de Sint-Jan had bekeken. En Oeteldonk, ja, zo heet Den Bosch in carnavalstijd, wanneer het 'onsterfelijke schlagers' voortbrengt, zoals: 'Weet je wat ik graag zou willen zijn?/Een bloemetjesgordijn! Een bloemetjesgordijn!'

Van de overvloedig aanwezige schoonheid van de Sint-Jan tot de vrolijkheid van het gevoel om een bloemetjesgordijn te zijn - en dat in één adem, zonder ironie of veilige afstandelijkheid -, Willem Wilmink maakt het al tientallen jaren waar in zijn dichterschap. Wie zijn gedichten las, zijn liedjes kent, zijn vele vertalingen tot zich nam, weet dat. Onvermoeibaar stapt hij met schapewolken voet van het lichte naar het zware, en weer terug. Zijn lezers fluistert hij onafgebroken toe dat het leven maar één doel kent: je te verheugen in het mooie en het ware, of dat nu schuil gaat in een gotisch bouwwerk, een puntgaaf drinklied of een flirtende blondine die een kind trakteert op een sorbet.

Dit is geen gemakkelijke levensvisie, het is de reddingsboei voor de tobber die zo vaak doorschemert in Wilminks poëzie. Overal dreigt de eenzaamheid; als hij even niet kijkt, strekken zich achter hem en voor hem dorre woestenijen uit. Want: waar komt hij vandaan en waar gaat hij naartoe? Van nergens naar nergens, vreest hij en het maakt hem doodangstig. Hij stapt door zijn bestaan 'vol sombere doemgedachten', zoals hij heeft beschreven in zijn gedicht Spelende meisjes. Maar in datzelfde gedicht is het hem vergund oog te krijgen voor op straat spelende meisjes. Die 'zullen de kinderen baren/voor de komende duizend jaar'.

Dit inzicht bevruchtte de woestijn vóór hem tot een malse weide. Nu het verleden nog. Om een verleden te veroveren waar hij persoonlijk mee voort kan, is het voor Wilmink van levensbelang om verwantschap te voelen met vroeger. Die verwantschap heeft Wilmink steeds gezocht in de middeleeuwen. Hij vertaalde oud-nederlandse, oud-franse en oud-engelse dichters, hij situeerde er meermalen zijn eigen poëzie. En nu, in zijn boek Mijn middeleeuwen, probeert hij uit te drukken wat die middeleeuwen voor hem gingen betekenen. Wat hij er heeft gezocht, wat hij er heeft gevonden.

De middeleeuwen die hij in dit boek wakker kust zijn sterk persoonlijk ingekleurd, dat kan niet anders. Het eerste hoofdstuk bestaat uit een groot, statig zingend openingsgedicht waarin Wilmink zijn middeleeuwen identificeert met de kathedralen die hij heeft leren kennen en beminnen, in Nederland en de landen om ons heen. 'Als de hemel niet bestaat/ als er geen God is die ons ziet, dan nog/ blijft alles waar wat deze kerk vertelt' schrijft hij bijvoorbeeld over de Notre Dame van Parijs, en het lijkt ook te gelden voor alle andere. De kathedralen bieden Wilmink een toegangspoort tot de middeleeuwen, maar niet tot de historische periode tussen 500 en 1500 uit de schoolboekjes. Zijn kathedralen openen de deur tot de middeleeuwen zoals hij die nodig heeft als wapen tegen existentiële eenzaamheid, en staan hem toe daar binnen te gaan.

Maar zelfs binnen is hij nog niet gered. Het wemelt er van de bekenden, dichtbij naar de geest, ver weg in de tijd. Verwantschap is een uitwisseling van gedachten en hoe pak je dat aan? Hij leest, kijkt, studeert, hij bezoekt oude steden. Hij weet er alles van af en kan er wervelend over schrijven. Inzichtelijk worden de middeleeuwen zo, voorstelbaar, maar niet tastbaar.

In Mijn middeleeuwen maakt Wilmink zijn lezers deelgenoot van het spiritisme dat hij bedrijft om met de middeleeuwers te kunnen verkeren. Hij roept ze aan, hij roept ze op, hun stemmen, hun aanwezigheid, en de dichtkunst doet dienst als tafeldans. Allerlei facetten beschrijft Wilmink, het leven van de armelui, de gekken, de vrouwen, de adel, het café-leven, de vroege Sinterklaas, de rouw, het geloof. En telkens zijn de hoofdstukken geschreven rond zijn vertaling van één of meer gedichten. Dáár valt de middeleeuwer aan te spreken, daar geeft hij antwoord, maakt hij een geintje. Daar leert Wilmink dat hij en zij elkaar kunnen begrijpen. In het Stabat Mater (uit de 13de eeuw) herkent hij rouw en geloof, in een Vlaams vers uit 1630 ziet hij wanhoop: 'Men mag voor de toekomst een dodenmis lezen,/ want de toekomst ligt met de neus in het zand'. En in de Franse verbannen prins Charles d'Orleans herkent hij een soul mate: 'Prins, wat ik dicht, is al een oud verhaal,/ dat nieuwer wordt, hoe meer ik het herhaal./ Ik ben een man die nooit iets nieuws verzint,/ bij 't ouder worden jonger dan als kind.'

De middeleeuwen die Wilmink in zijn boek schetst zijn met recht zijn middeleeuwen, en dat wordt niet alleen veroorzaakt door Wilminks verbale zwier en zijn adembenemende literaire associatievermogen. Zoals hij ze weergeeft, hebben de middeleeuwen hoogstwaarschijnlijk niet bestaan. Maar zoals hij ze her-uitvindt, zoals hij op wetenschappelijke grondvesten doorfantaseert, brengt hij ze zo nabij dat hij en wij ze aan kunnen raken, ze kunnen begrijpen, onszelf kunnen herkennen als per saldo niet alleen want voortgevloeid uit die mensen en die tijden.

Een van de eerste keren dat hij dat contact zelf onderging, beschrijft hij in een aangrijpende passage. Als student met liefdesverdriet las hij, opnieuw en opnieuw, de klacht die Christine de Pisan aan het begin van de 15de eeuw schreef. Hij citeert het in het oud-frans en in de vertaling van J.H. Leopold: 'Alleen ben ik en zoek alleen te wezen,/ Alleen ben ik en van mijn lief verlaten,/ Alleen ben ik; wie die mijn heer mag wezen?/ alleen ben ik, dan bitter, dan gelaten,/ Alleen ben ik en schuw mijn kwijnend leven... .' Christine de Pisan leefde een kleine vijfhonderd jaar terug. Maar ze begreep hem. Verwoordde nauwgezet wat hij voelde. Troostte hem.

Zijn boek is een studie te noemen, maar wetenschappelijke pretenties werpt het verre van zich. De 'vermenging van wetenschap en verzinsels', die Wilmink als jongen toepaste en 'waar ik nog steeds niet helemaal van genezen ben' regeert. Wat hij bedrijft is romantische wetenschap, of beter, poëtische wetenschap. Hij is uitnemend gedocumenteerd, kan kijken als geen ander en verlicht zonder irritant te worden zijn verhaal met intieme ervaringen, bijvoorbeeld met de dochter van een pensionhouder in Salisbury.

Poëtische wetenschap geeft hij ook ten beste in zijn vertalingen uit het middelnederlands. Na onder meer een ontroerende vertaling van Beatrijs verschenen nu, in samenwerking met de neerlandicus Bart Ramakers, in één band zijn minstens zo energiek knetterende bewerkingen van de toneelstukken Mariken van Nieumeghen en Elckerlijc. Net als in Mijn middeleeuwen zien we hoe hij zich ingraaft in tijd en tekst, om op te duiken met een soms zeer wilde vertaling die desondanks volmaakt lijkt weer te geven wat er zich afspeelt. In Elckerlijc ontmoeten we Willy Alfredo ('Ja, roept u maar' ) en in Mariken staat er ineens een Amsterdamse Jordanees bij het Wagenspel: 'Kijk meneer, het vrouwtje is van d'r eigen/ gevallen'. Iemand wordt uitgemaakt voor 'Jan Duyt'. Wat maakt Wilmink ervan? 'Jan Jurk'. De gemene 'Moeye' van Mariken krijt haar nicht in gore bewoordingen uit voor een vrouw die met iedereen het nest induikt. Ze bezigt het woord 'nauw' in een zin die ongeveer betekent: het maakt haar nauwelijks iets uit - 'nauw' betekent in het middelnederlands 'nauwelijks'. Wilmink vertaalt het niet maar houdt eraan vast en komt tot de strikt gesproken al te vrije, maar voor Tantes vergaande taalgebruik zeer aannemelijke sneer: 'Ze wordt er niet nauwer of wijder door'.

Oftewel: dankzij Wilmink kijken middeleeuwer en hedendaagse lezer elkaar in de ogen.

Uit: Willem Wilmink: Mijn middeleeuwen.

In de oorlog tekende ik een kasteel. Op mooi, hard ruitjespapier dat vader van kantoor had meegenomen. Ik lag in bed, ik was al weken ziek, vooral 's nachts. Ik tekende de kasteelmuur, met torens en kantelen. Daarboven de woonvertrekken, daar weer boven de ridderzaal en helemaal boven aan het achterste deel van de ommuring. Toen was het kasteel klaar en kon ik erin wonen zonder bang te hoeven zijn voor bombardementen.

Uit: Nijmeegse Marieke/Mariken van Nieumeghen. Vertaling Willem Wilmink.

MOENEN: Alle duivels! Nu sproeit me het vuur uit mijn ogen want dit meisje heeft de buik vol berouw van de kletskoek die ze horen wou. Laat ons het mooiste café betreden om wijn te drinken.

EMMY: Laat me in vrede, kwade duivel en ga hier vandaan.

(MOENEN: Hulpe, Modicack! Hoe ick blaecooghende werd./Dit meysen crijcht berou den balch al vul:/Die brabbelinghe es al te dul./Ga wi yewers int scoonste vander steden/Een canne wijns meten.

EMMEKEN: Laet mi met vreden./Ende vliet van mi, fel viant boos.)

    • Joyce Roodnat