De mens verandert niet. Leerzaam.; Gesprek met Paul Biegel over Vergilius' 'Aeneis'

Paul Biegel maakte een navertelling van de Aeneis, en wilde zo dicht mogelijk bij de poëzie van Vergilius blijven. “Ik heb het niet helemaal willen verbiegelen.” Dat viel niet mee, voor een schrijver met een onstuimige fantasie.

Publius Vergilius Maro: De zwerftochten van Aeneas. Naverteld door Paul Biegel, illustraties Fiel van der Veen. Uitg. Holland, 208 blz. Prijs ƒ 49,90

“Ik had niet gedacht dat ik er zo'n uitgeknepen citroen van zou zijn”, zegt Paul Biegel (1925) over zijn navertelling van Vergilius' Aeneis. Hij hangt vermoeid achterover op de bank. Een minuut later zit hij alweer aan de andere kant van de bank, hardop te fantaseren. Of hij zit ineens in het midden van de bank met de poes op schoot. Voor een uitgeknepen citroen gedraagt hij zich bijzonder levendig. Maar het was een enorme klus, De zwerftochten van Aeneas. Een jaar is hij eraan bezig geweest, gesteund door classicus Patrick Nieuwenhuyse, die bij hem in huis een kamer huurt. Biegel begon er aarzelend aan, aan dit project: het omzetten van het mooie Latijn van Vergilius in 'een lekkere leestekst voor nu, die iemand die opziet tegen een echte vertaling toch in contact brengt met die figuren'. Die 'iemand' is trouwens niet speciaal een kind.

“Ik denk nooit aan een publiek, ik ga uit van mijn eigen plezier. Maar ja, alles wat ik doe is 'voor kinderen', als ik links hou is het ook 'voor kinderen'. En dan zie ik dit boek weer in de krant besproken onder het kopje 'kinderboek'. Nu ja, het is niet zo erg. Eén blik op de sterren en ik denk ach...”

Voor zijn bewerking maakte Biegel, de schrijver van onder meer De kleine kapitein, De tuinen van Dorr en De rode prinses, gebruik van vertalingen, vooral van de prozavertaling van M.A. Schwartz uit 1959. Zijn Latijn is niet zodanig dat hij zich daarop zou kunnen verlaten. “Op school hebben we nog niet eens een half boek van de Aeneis gelezen. Ik kan me niet herinneren dat ik er veel aan vond, niets van de leerstof kon me boeien in mijn gymnasiumtjd. Grieks vond ik nog wel aardig, misschien door de andere lettertekens.”

Toch bewerkte hij eerder de Ilias, dat wil zeggen, hij maakte een bewerking van een Tsjechische navertelling. En nu dit weer. “Het is gekomen door een BBC-serie over Troje. Dat deed iemand die heel enthousiast sprak over al die opgegraven lagen van Troje, al die Trojes boven op elkaar. En er was ook een scène in een kroeg, waar een Turkse muzikant een verhaal deed bij een muziekinstrument en toen zei die commentator: 'kijk, zo ging het vóór Homerus'. Dat vond ik prachtig. Toen de uitgever kwam met die Tsjechische Ilias ben ik aan het werk gegaan.”

Vooruitgang

Zowel de Ilias als de Aeneis hebben te maken met het beleg van Troje. In Homerus' verhaal wordt verteld over de belegering van Troje door de Grieken, en vooral over Achilles, de Griekse held die zo beledigd is door de legeraanvoerder dat hij niet meer mee wil doen, ook al zijn de Grieken zonder hem kansloos. Uiteindelijk doet hij het wel en verslaat hij de Trojaanse held Hektor, wiens lijk hij in triomf dagen lang voor de stad heen en weer sleurt, om Hektors stadgenoten te vernederen.

Biegel: “Je kunt aan de klassieken zien dat de mens nog niets veranderd is, dat vind ik nogal leerzaam, zeker in deze tijden waarin de zich zo snel ontwikkelende electronica vooruitgang lijkt te brengen. Er is nauwelijks vooruitgang sinds de oude beschavingen. Die mensen van toen, die zijn precies zoals wij. We beschrijven het nu alleen wat anders, het gaat daar meer van dik hout. Maar neem bijvoorbeeld de scène dat de oude Priamos naar Achilles toegaat om het lijk van zijn zoon Hektor terug te vragen. Dat Achilles dan ondanks alles waardering voor die oude man weet op te brengen.”

Na de Ilias komt de Odyssee, waarin verteld wordt hoe Odysseus na de val van Troje tien jaar over zee zwerft voor hij weer thuis is bij zijn vrouw op Ithaka. Aan de Odyssee is Biegel nooit begonnen. “Daar is al zoveel aan gedaan. Er is die vertaling van Imme Dros, een knap stukje werk. Aan de Aeneis wordt veel minder aandacht besteed. Er is ruim een jaar geleden een nieuwe vertaling verschenen van Piet Schrijvers.”

De Aeneis bestaat uit twaalf boeken, en in zekere zin is het geheel een lange toespeling op de Odyssee en de Ilias. De eerste zes boeken gaan over de tienjarige zwerftocht van Aeneas op weg naar Italië waar hij een tweede Troje moet stichten (het begin van wat later het Romeinse rijk zal blijken te zijn), de tweede serie van zes boeken vormt een krijgsgeschiedenis, de lange oorlog die Aeneas in Italië moet voeren om de hand van de hem beloofde bruid. Het boek eindigt vrij abrupt met de dood van Aeneas' belangrijkste tegenstander in Italië.

Biegel: “De Ilias is veel ruiger, Vergilius heeft toch meer een soort kunstsprookje geschreven. Ik vind de Aeneis een beetje meer salon. Er komt natuurlijk genoeg gruwelijks in voor, maar dat gruwelijke is dan wel weer mooi verpakt, die hoofden worden keurig symmetrisch in tweeën gekliefd en de helften vallen netjes naar weerszijden. Ik heb me meer laten leiden door de poëzie van Vergilius dan door het verhaal. Daardoor kon ik niet erg mijn eigen gang gaan. Achteraf gezien is dat me het zwaarst gevallen. Ik heb geprobeerd om in vlot leesbaar Nederlands dicht bij Vergilius' eigen tekst te blijven. Ik heb het niet helemaal willen verbiegelen. Homerus is gespierder, ik denk dat je daardoor makkelijker weerwoord in het Nederlands kunt geven.”

Biegel begint met animo te fantaseren over wat je ook met de klassieken zou kunnen doen: er een bepaald gegeven uit halen en dat dan helemaal naar je eigen hand zetten. “Bijvoorbeeld een boek over de mannen die opgesloten zaten in het houten paard. Ze hebben daar toch een paar dagen en nachten ingezeten voordat dat paard Troje was binnengesleept. Dus ze moesten hun behoeften ook daarbinnen doen, en ze kregen ongetwijfeld ruzie of er moest er een hoesten en die dreigde zo de anderen te verraden. Echte karakters zouden het moeten worden, twaalf of vijf of weet ik veel, hoeveel zaten er eigenlijk in? Of eentje had nog een beetje water maar de anderen al niet meer, wat dát voor toestanden zou geven...”

Wie het aanhoort krijgt meteen ontzaglijke zin om dat boek te lezen. Biegel is goed in strijd en oorlog en in wat dat in mensen losmaakt. Het fascineert hem ook, de inzet die er in een strijd vertoond wordt.

“Napoleon was zo iemand, net als Aeneas, die zijn mannen bezielde door vooruit te stormen. Waren het niet Galliërs die zich naakt in de strijd stortten met alleen maar een zwaard? Ik kan me wel voorstellen dat de vijand daarvan schrikt. We vinden het zo gewoon, bij hockey of bij tennis, dat de een verliest en de ander wint. Bij soldaten is dat op leven en dood. Dat is een groot verschil, maar de opwinding is denk ik zo'n beetje hetzelfde. Daar stormt Napoleon naar voren, hij wéét dat hij niet getroffen zal worden. Innerlijke zekerheid, dat is een wonderlijk iets bij mensen.”

In een van zijn laatste boeken, De soldatenmaker, laat Biegel een klein jongetje in een oorlog terecht komen als 's nachts de door hem zelf gegoten loden soldaatjes tot leven komen. Het is geen luchtige fantasie, de jongen komt werkelijk voor grote conflicten te staan. Hij moet partij kiezen - maar hoe? Hij moet dingen doen die hij niet wil, soldaten offeren voor de zaak en als hij nee zegt worden hem de gruwelijke consequenties van zijn 'nee' voorgehouden. Het is een onthutsend boek, waarin een heel andere kant van de strijd wordt getoond dan het vastberaden slachten in de Aeneis, al wordt daar ook sympathie betoond voor beide partijen.

Biegel: “Je móet je wel in zulke dingen inleven, omdat het realiteit is. In onze keurige maatschappij met 'pardon meneer mag ik even voor' en dergelijke is dat ver weg. Maar ik heb het gevoel dat ik er niet onderuit kan, het is niet om eventuele lezers iets voor te houden. Het jongetje in De soldatenmaker is niet bij machte om zich eraan te onttrekken.”

Drijfveren

Als een van de voornaamste motieven om de klassieken na te vertellen en op die manier toegankelijk te maken noemt Biegel dat je er een breed beeld van krijgt van de mens, en van zijn onveranderlijkheid. Is het belangrijk om de mens te kennen, of om jezelf te kennen?

“Het is wat me het meest van alles intrigeert: wat drijft ons? Hoe diep durven we in onszelf te kijken en wat treffen we daar aan? Wat zijn we met z'n allen aan het doen en waarom doen we het zo? Daar hou ik nooit over op. Ik geloof dat je naarmate je ouder wordt, steeds beter durft in te zien dat je jezelf niet kent. Dat geeft ook een continu wantrouwen tegenover de eigen drijfveren. Om een simpel voorbeeld te geven: ik ga nu die arme zieke opzoeken, maar waarom doe ik dat eigenlijk? Omdat ik echt zoveel medelijden heb? Of ook omdat ik me dan achteraf goed kan voelen over mezelf?

“Ik hoorde eens een verhaal van een vriendin die aan een Engelse universiteit werkt. In de jaren zeventig experimenteerden ze daar met LSD en wat het losmaakt in mensen, ze dachten dat je onderbewuste dichter aan de oppervlakte zou komen. Er was een heel gedreven professor die ook deelnam aan dat experiment. Nadat de LSD was gaan werken vroegen ze hem wat zijn liefste wens was. Hij zei: een boterham met jam. Het ging hem blijkbaar niet om de ontdekking van iets groots, of iets meeslepends.”

Of zijn personages, net als hun schepper, in de loop der jaren tot de ontdekking zijn gekomen dat de mens voor zichzelf onkenbaar is, vraag ik me af. Die vraag lijkt hem een beetje zenuwachtig te maken. Personages, psychologie, dat klinkt hem blijkbaar niet erg Biegels in de oren.

“Ik ben niet zo'n analyticus, ik analyseer nooit degenen over wie ik schrijf. Het schrijven wat ik doe is geen intellectuele bezigheid. Het is een inspiratieve bezigheid. Ik weet niet waar het vandaan komt en dat wil ik ook niet weten. Dat is net zoiets als God willen begrijpen. 'Meneer Biegel heeft toch zo'n fantasie', wordt er wel gezegd. Dat weet ik niet, dat zal wel. Ik hoorde een keer een helderziende op de radio aan wie werd gevraagd of ze het niet eigenaardig vond dat ze allerlei dingen zomaar 'wist'. 'Welnee,' zei ze, 'ik vond het vreemd dat andere mensen dat niet hadden.' Dat begrijp ik.

“En die inspiratie is verder ook niet zoiets hoogstaands hoor. Het is een kwestie van moeten en van doen. Als je het stimuleert gaat het door, net als een koe die je blijft melken. Het beste antwoord op de vraag: 'Waarom schrijft u?' vind ik nog altijd dat van Carmiggelt: 'Omdat er om vijf uur een jongen komt om het te halen'.”

    • Marjoleine de Vos