De bogen van schilder Jan Andriesse; Ik wil volmaakte rust schilderen

Hoe gek het ook klinkt: niemand heeft ooit de regenboog tot onderwerp van zijn schilderij gemaakt. Jan Andriesse wel. En dat valt niet mee, want in de echte regenboog zijn alle kleuren even licht, maar in verf niet. Er zit heel veel verf op Andriesse's schilderijen. “Ik ben een ambachtslul.”

Tentoonstelling bij Galerie Paul Andriesse, Prinsengracht 116, Amsterdam. T/m 11 juli. Geopend di-vrij 11-18 uur, za 14-18 uur, 1e zondag van de maand 14-17 uur.

In 1994 schilderde Jan Andriesse (Jakarta, 1950) zijn eerste regenboog. De regenboog maakte deel uit van een ensemble van werken voor de vergaderzaal van de Raad van State. Andriesse: “Ik vroeg mij af wat het mooiste was wat ik de koningin kon geven om naar te kijken. Na maanden kwam ik uit bij de regenboog. Wat is er mooier dan een regenboog? Maar ze wou hem niet hebben. Of misschien wou ze de ladder van de glazenwasser die ik erbij had gezet niet hebben, dat kan ook.” De opdracht werd niet aan hem verstrekt, maar in 1995 toonde Andriesse het geheel bij De Pont in Tilburg: acht bogen - ellips, cycloïde, cirkel, twee kettingbogen, parabool, sinus en hyperbool -, opgehangen aan twee witte doeken, tweemaal vier bij elkaar; een regenboog; en een houten ladder met treden die naar boven toe steeds dichter op elkaar staan, zodat de ladder, perspectivisch verlengd, naar de hemel lijkt te reiken.

De trilling van kleur maakt duizelig. Het violet, blauw, groen, geel, oranje en rood zijn zo ijl dat het is alsof je ze in één keer van het doek kan blazen. Wie vlak langs het doek loopt, ziet op het ene moment nog blauw en het volgende moment groen zonder dat de overgang is aan te wijzen. Van een afstand zijn duidelijk afzonderlijke kleurbanen waarneembaar, ze vertonen een lichte kromming. Van dichtbij is er alleen een spiegeling van diffuse kleur.

Twee regenbogen van Andriesse zijn te zien in de galerie van Paul Andriesse. Er hangt ook een Spectrum, een waaier van kleur, verdeeld over drie doeken. De kleuren zijn hier iets meer verzadigd dan van de Regenboog maar ze vervloeien op dezelfde manier. De natuurverschijnselen regenboog en spectrum ontstaan door breking van het licht, in het ene geval door waterdruppels, in het andere door een glazen prisma. Andriesse herschiep ze op linnen, in acrylverf gemengd met marmerpoeder: de regenboog een glinsterende, tintelende reflectie, het spectrum een optisch spektakel van diepere kleurtonen. Aan een derde wand hangt een schilderij getiteld The River below, evening. Onderaan een monochroom geelwit vlak loopt zigzaggend een donkere turquoiseblauwe baan. De zigzag heeft een ruimtelijk effect, de baan komt naderbij en verwijdert zich weer. Vanuit de hoge geelwitte ruimte scheert de blik als van een vogel over de diepe rivier. Aan de vierde wand hangt van twee punten aan het plafond een ketting in een lange boog naar beneden. Hij weerspiegelt de kleine boog van een zwartwitte haneveer die eronder op de grond staat, in een klompje klei geprikt. Dit werk heeft als titel Anatomie van de melancholie.

Zwaartekracht

De samenhang tussen kleur, licht en ruimte vormde van meet af aan de thematiek van het werk van Andriesse. Nol Kroes, leraar aan de Vrije Academie in Den Haag, gaf ooit als vrije opdracht: maak een schilderij van wat je het liefste is. De achttien-jarige Andriesse schilderde de bogen van electriciteitsdraden in een vlak landschap. De bogen geven een gevoel van ruimte en vrijheid, van beweging en energie. Andriesse: “De kettingboog is voor mij de meest directe, de visueel meest rijke belichaming van de zwaartekracht. Hij heeft een ingebouwde melancholie, omdat de ketting geen weerstand biedt. Hij buigt mee met de zwaartekracht. Hoe meer hij doorzakt, hoe triester. En wat ook prachtig is: als je de ketting van één punt hangt heb je een schietlood, de perfecte verticaal.”

Zo'n schietlood hing Andriesse op aan de linkerrand van een schilderij getiteld Chinees perspectief, te zien in de benedenruimte van Paul Andriesse. Het doek is wit, afgezien van de rechterbovenhoek waar wat zwarte driehoekjes wegzweven, de verte in. “Ik vroeg aan mijn dochter Helena, ze was toen acht jaar: wat zie je? Zij antwoordde: 'De ketting valt en de driehoekjes gaan omhoog.' Dat was precies waar het mij om was te doen. Het is tegelijkertijd pure illusie en letterlijke materie, en het is van een grote eenvoud.”

Andriesse is een bijna twee meter lange, altijd in het wit geklede man met een zware diepe stem, wit haar en een Schubert-brilletje. Aan een lange lege wand van zijn atelier hangt een doek met een raadselachtig raster van potloodlijnen: horizontalen, verticalen, diagonalen en enkele curven. Ramen heeft dit atelier niet, het daglicht valt binnen door koepels in het dak. Een zilverkleurig scherm, onder de koepels bevestigd aan het plafond, zorgt ervoor dat de wand waaraan gewerkt wordt meer licht krijgt. Andriesse is een schilder die uitsluitend bij daglicht kan werken. In het steeds veranderende licht komen zijn schilderijen tot leven. 's Ochtends trekken de koele tonen de aandacht, 's middags de warme. De schemering is Andriesse het liefst. Bij het uitdovende licht gebeuren vreemde dingen met onze waarneming van kleur. Warme kleuren ebben weg en koele kleuren worden helder. Zo wordt blauw, dat overdag donkerder is dan rood, lichter en lichtblauw wordt zelfs wit, terwijl rood donker wordt. Naarmate het licht vermindert verdwijnt tenslotte ook de kleur totdat uitsluitend de verhouding tussen licht en donker overblijft. Daarom staat sinds de Romantiek aan het begin van de 19de eeuw in Engeland de late schemering bekend als the painter's hour: het geëigende moment voor de schilder om zijn werk te bestuderen. Schemering - tussen licht en donker was ook de titel van de tentoonstelling die Andriesse vorig jaar organiseerde voor het Museum Jan Cunen in Oss, over het licht in de Nederlandse schilderkunst vanaf Jongkind tot heden. Nu bereidt hij een expositie voor van de Haagse School-schilder Weissenbruch.

Groen

Andriesse heeft in totaal zes regenbogen gemaakt, grote en kleinere. Vooraf was hij zich van de complicaties van dit onderwerp niet bewust. “Ik had er geen idee van waar ik aan begon. Ik wist niet eens hoe ik de verf erop moest krijgen. Of hoe ik de verf moest mengen, in welke hoeveelheden, welke kwasten ik moest gebruiken. Acrylverf droogt snel, je mag niet twijfelen, een laag moet er in één keer op. Je mengt dus van te voren zeven kleuren, rood, oranje, geel, groen, koud lichtblauw, warm donkerblauw, en violet. Bij het opbrengen begin je met geel, want geel is het lichtste, en van daaruit bepaal je de mate aan verzadiging. Van geel ga je de ene kant naar donker, naar oranje, én de andere kant naar donker, naar groen. En toen kwam het grote probleem: hoe kreeg ik bij alle kleuren dezelfde lichtintensiteit? In de echte regenboog is het violet net zo licht als het rood of als het geel.”

De schilder kon met zijn vragen nergens terecht. Want hoe gek het ook klinkt: spectra zijn er wel geschilderd, maar niemand heeft ooit de regenboog tot onderwerp van zijn schilderij gemaakt. Er zijn natuurlijk wel regenbogen te vinden in de geschiedenis van de schilderkunst. Andriesse heeft er vele voorbeelden van verzameld en kunsthistoricus John Gage wijdde er een hoofdstuk aan in zijn boek Color and Culture, Practice and Meaning from Antiquity to Abstraction. Maar dat zijn altijd regenbogen als compositiemiddelen, als elementen in een landschap waarbij het landschap, of de scène die zich in het landschap afspeelt, het eigenlijke onderwerp is.

Het groen bleek het grootste probleem op te leveren. Groen zit in de overgang van licht naar donker en van warm naar koel, 'het weet tussen het geel en het blauw niet of het moet komen of gaan', in de woorden van Andriesse. Andriesse: “Het is zoals Goethe zei: 'alle kleuren zijn schaduw'. Alle kleur, zelfs geel, is donkerder dan wit. Het groen heeft de hardnekkigste schaduw. Om die schaduw eruit te schilderen en om de overgang tussen de kleuren geleidelijk te laten verlopen moest ik het groen eindeloos uitrekken, van geelgroen via zuivergroen naar blauwgroen.”

Andriesse schreef bij zijn tentoonstelling: “Alle kleuren van het kleurenspectrum tezamen vormen het licht van de zon. Diezelfde kleuren tezamen in verf vertaald geven een morsig zwart. Deze paradox blijft een moeizaam feit.”

Andriesse: “Dat materiële is voor mij juist het belang van de schilderkunst: je voelt het als je voor het schilderij staat. Ik kan moeilijk mijn eigen pigmenten mengen en mijn eigen linnen weven, maar ik wil zo dicht mogelijk bij die materie komen. Ik heb niets met fotografie, film, video, nieuwe technologieën. Ik ben eigenlijk een ambachtslul.”

Het wonderlijke is dat de schilderijen die uit dit geworstel voortkomen juist etherisch en bijna transparant van karakter zijn. Alleen aan de onregelmatige randen en aan de zijkanten is zichtbaar dat er veel, héél veel, verf op zit. Andriesse: “Het is een oud gegeven dat je bijvoorbeeld bij Mondriaan goed kunt zien: de zwarte lijnen zijn dun, terwijl het wit, het licht, dik is en pasteus. Hoeveel lagen er op mijn schilderijen zitten weet ik niet. Ik houd het niet bij. Aan het Spectrum heb ik een jaar gewerkt. Stel dat dat 200 dagen waren, dan zitten er 200 lagen op. Het klinkt absurd, maar het is zo.”

Loodzwaar zijn deze schilderijen dus, en soms zijn ze, voor Nederlandse begrippen tenminste, ook nog zeer groot. Ieder paneel van het Spectrum meet 127x261 centimeter, dat brengt de totale lengte op ongeveer acht meter. Het standaardformaat van de kleinere doeken is 150x190 centimeter. Alle maten en verhoudingen zijn afgeleid van de Gulden Snede. Voor een rechthoek is dit de verhouding van 1:1.618. Het is een verhouding die sinds de klassieke oudheid regelmatig opduikt in de geschiedenis van de bouwkunst en die ook veel voorkomt in de natuur. Het potloodraster dat onder ieder schilderij van Andriesse schuil gaat is een weergave van geometrische configuraties van de Gulden Snede. Het is het geraamte, de verborgen ordening van zijn werk. “Ik heb niet naar de Gulden Snede gezocht, ik ben er min of meer over gestruikeld. Het zegt op zichzelf niets. Je kunt met de kostbaarste pigmenten, met lapis lazuli, werken of met de prachtigste verhoudingen, maar het garandeert niets. Het is een verhouding die in mijn geval nuttig is omdat hij als vanzelf mogelijkheden genereert, bijna buiten mij om. Hoe meer ik met mijn ego en neuroses in mijn werk afwezig ben, hoe beter het is. Die bogen zijn tijdloos, die behoren mij niet toe. En ook in de regenboog, al heb ik hem geschilderd, is mijn hand niet herkenbaar.”

Dat neemt natuurlijk niet weg dat Andriesse toch iets wil met zijn schilderijen. “Ik wil volmaakte rust schilderen. Bijna een vorm van stilstand, stasis, zonder dat je er bij in slaap valt. Iets wat toch plezier geeft om naar te kijken. Ik wil mijn schilderijen schaamteloos mooi maken.”

    • Janneke Wesseling