Trou Moet Blijcken

Krop

Ze staat bij het raam in de diepte

Te staren en wijst naar de mensen

Ze zegt het alweer en alweer:

Het leven is niets, het is niets.

Hoor toch hoe flemend dat klinkt

Als ze fluistert en kreunt, met die wellust

Het leven is niets, het is niets.

Het zwelt haar de mond uit, een lofzang

Op onze vergeefsheid, ze stelt me

De dood in een duidelijk daglicht

Het leven is niets, het is niets.

En ik ga al, ik raap haar weer op

Uit de diepte en draag haar naar bed

En druk me weer tegen haar aan.

Ik ruk haar gezicht naar me toe

En lik en slik al haar tranen.

Ik eet haar zo gulzig de krop

Uit de keel dat zij snikt diep in mij.

Leonard Nolens (geb. 1947)

De dichter leest voor. Er zijn festivals, lunchvoorstellingen, cd's met dichtersstemmen. Het is - luidt de gangbare mening - nog altijd interessanter een gedicht te horen verkrachten door de dichter zelf dan het briljant te horen oppoetsen door een geoefende toneelspeler. Ik ben het daar wel mee eens. Zelfs met de meest belabberde voordracht kan een dichter zijn gedicht een extra waarde geven, terwijl de beroepsdeclamator met zijn dramatisch verantwoorde opbouw en poëtisch correcte klemtonen een gedicht volstrekt kan platslaan. Toch is het niet altijd een pretje naar dichters te luisteren.

Ik weet dat ik boter op mijn hoofd heb. Met mijn stem, nog het meest geschikt om op het slagveld een regiment vijandige kozakken simultaan de diarree te bezorgen, ben ik van het podium niet weg te slaan. Mijn kop, waarvan de aanwezigheid tijdens zo'n voordracht onvermijdelijk is, kan alleen maar een genot zijn voor poëzieliefhebbers, zó verstokt dat ze al voor driekwart in hun graf liggen. Een ongelooflijk onpoëtische kop. Maar over me zelf wou ik het even niet hebben.

Het is bijna altijd fascinerend om andere dichters hun gedichten te horen voorlezen, hoe verstrooid of spottend met de regels ze dat ook doen. Ik ben, zolang ik het me herinner, een verzamelaar geweest van geluidsopnamen - vooral van dooie poëten. Je staat dichter bij de oorsprong van het gedicht en je staat dichter bij de bedoeling van het gedicht. Toch valt het, ik zei het al, in het volle leven ook wel eens tegen. Dan wou je dat je zo'n dichter nooit had gezien en gehoord.

Mij overkwam het met Leonard Nolens. Ik had wel een zwak voor zijn poëzie toen ik die alleen nog als gedrukte letters kende. Doodserieuze gedichten over liefde en liefdesverdriet, over aanhankelijkheid en weglopende vriendinnen - waar vond je die nog vandaag de dag? Van de oude school qua abstracte hoogdravendheid en een beetje hedendaags qua egoïstisch individualisme en openhartigheid - zoiets moest kunnen. Kilo's lichamelijk gekwispel, met een pond emotie en twee ons tranen: in Nolens was weer een echte dichter opgestaan. Zijn pathetiek was gedurfd, heette het. Menigeen prees zijn afkeer van ironie en zijn heilige moeten, hij zelf nog het meest.

Hoezeer het bij poëzie ook om ernst en inhoud gaat, bij een voordracht krijg je die verdomde dichter er bij. Met zijn stem en zijn kop. De gedichten van Nolens zijn al op het randje

Het is laat in mijn slapeloos leven

- maar toen de dichter zelf eenmaal achter de katheder stond - ik zat op de eerste rij - liet hij geen gelegenheid onbenut mij over dat randje heen te stoten. Wat erg was in zijn gedichten werd erger, wat wee was weeër.

Dat was geen voorlezen van poëzie, dat was solliciteren bij de dames in de zaal. Met fluwelen blik en bevruchtende stem en met nét die mengeling van hulpbehoevendheid en arrogantie die het bij zeker slag vrouwen zo goed doet las hij zijn gedichten voor - gedichten over het aan-mekaar-zijn en vooral, dat spreekt, over zijn onstilbare tekort op het punt van aan-mekaar-zijn. Hij richtte zich in gebaar en intonatie tot de jonge meiden in de zaal, tot de niet meer zo jonge meiden, tot de rijpe vrouwen, tot de rijpere vrouwen, tot de overrijpe vrouwen, tot de jonge grootmoeders desnoods - de mannen in het publiek telden niet meer mee. Nolens presenteerde zich met zijn hees en zoet gelispel als een buitenkansje voor al wat vrouwelijk was, als een liefdeslacune die door de eerste de beste mocht worden opgevuld. Het wemelde in zijn regels van de geliefde, de vriendin, de begeerde en de afwezige. Alles zo symbolisch en zo weinig concreet, je begreep dat iedereen zich de uitverkorene mocht wanen, mits van het Nolens-bemoederende, Nolens-koesterende geslacht.

Hier gooide iemand zich zelf in de aanbieding, terwijl hij het presenteerde of hij zich als de begeerlijkste kostbaarheid beschouwde. Steeds op zoek naar de idee van een nieuwe vriendin. Wie zou zich niet onmiddellijk het bed in laten dragen door zo'n teder-sterke liefdeszanger? Vriendinnen vallen uit het raam, de idee blijft.

Nolens' gedichten duurden maar. Eeuwig geile dichters kunnen eeuwig duren. Er gebeurde tijdens het voorlezen iets wonderlijks. Voor mijn ogen veranderde het kale hoofd van Nolens in een eikel. Een blinkende druppel sperma rolde over zijn wang. Nolens werd bloter en bloter. Ineens stond daar op het toneel een lange lul te bedelen om aandacht.

Niet helemaal stijf, u kent het wel. Zo'n gezwollen, schommelende lul die, als puntje bij paaltje komt, een slappe lul blijft.

Ik weet niet hoe lang Nolens daar nog om aandacht heeft staan vragen, zwiepend en wiege-wiegele-deinend. Ik schrok pas op uit mijn visioen bij de regels

Ik ruk haar gezicht naar me toe En lik en slik al haar tranen

- en sindsdien bekijk ik al zijn gedichten met andere ogen.

    • Gerrit Komrij