Sjofel

HET BEGON ZO MOOI. Met een legaat van 22 miljoen gulden van oud-hoogleraar en amateurfotograaf Hein Wertheimer konden alle betrokkenen rustig om de tafel gaan zitten om in het belang van de Nederlandse fotografiewereld te besluiten hoe een 'Wertheimer-fotomuseum' eruit moest zien. Het Prins Bernhard Fonds kreeg de taak dit grootste naoorlogse legaat voor de kunsten te beheren en te bestemmen voor de fotografie.

Zo nobel als het stille gebaar van Wertheimer is geweest, zo sjofel is de besluitvorming verlopen. Over het belang van de fotografie is weinig meer vernomen. Er ontbrandde een grotendeels ondergrondse stedenstrijd tussen Amsterdam en Rotterdam om de Wertheimer-buit binnen te halen. Dat was niet alleen een vervelende tweekamp, maar ook een herhalingsoefening. Want eind jaren tachtig lagen Rotterdam en Amsterdam ook over de fotografie met elkaar overhoop, een strijd die uiteindelijk in het voordeel van Rotterdam werd beslecht door de toenmalige minister van Cultuur, Elco Brinkman. Rotterdam kreeg met een sobere bijdrage van het rijk een foto-instituut, een fotoarchief en een fotorestauratie-atelier. Na een moeizaam begin functioneren die drie instellingen nu naar behoren, zeker gezien het bescheiden budget dat ze hebben. HET LIGT IN DIT overbevolkte museumland voor de hand om het legaat van Wertheimer te gebruiken om de functie van bestaande instituten, waarin inmiddels miljoenen zijn geïnvesteerd, te versterken. Nee, zegt het Prins Bernhard Fonds, we beginnen weer van voren af aan en nu in Amsterdam. Want de hoofdstad zou het beste fotoklimaat bieden en garandeert hogere bezoekcijfers dan Rotterdam - alsof dat laatste verband houdt met de inhoudelijke kwaliteit van tentoonstellingen.

Burgemeester Patijn van Amsterdam vond - in zijn hoedanigheid als bestuursvoorzitter van het Prins Bernhard Fonds - het aantal hoofdstedelijke fotografen een doorslaggevende factor. Afgezien van het feit dat Patijn als direct belanghebbende er goed aan had gedaan tijdelijk zijn voorzittersfunctie neer te leggen, hanteert hij een vreemd argument. Het grotere aantal schepen dat jaarlijks Rotterdam binnenloopt, is toch ook geen reden voor de verhuizing van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum naar de Maasstad? Amsterdam laat zich er nu op voorstaan het legaat te hebben binnengehaald. Maar in de euforie gaat de stad voorbij aan een van de belangrijke voorwaarden die het Prins Bernhard Fonds heeft gesteld: de diverse bestaande foto-instellingen die willen deelnemen in het Wertheimer-'museum' moeten bij de opzet van het nieuwe instituut betrokken worden. Vooralsnog wekt men in de hoofdstad niet de indruk zwaar te tillen aan deze belangrijke eis. VOEG DAARBIJ de sceptische houding van het ministerie van Cultuur dat als geldschieter van een gevestigd, nationaal instituut er weinig voor voelt om van hot naar her te worden gedirigeerd, en de vraag rijst of het Prins Bernhard Fonds zich niet nog eens moet bezinnen. Het fonds zegt nadrukkelijk het legaat optimaal te willen besteden, in het belang van de fotografie. Maar het inzicht dat de bestaande instituten in Rotterdam dit belang reeds dienen heeft in de besluitvorming van het fonds ten onrechte geen rol van betekenis gespeeld.