Klassiek als Miele en Shakespeare

VOORJAAR 1990. Ze was net twintig, en goed op de hoogte. Prince, acid house, en daarna hip hop. Toch ging ze maar eens met een groepje vrienden mee naar een Stones-concert in de Rotterdamse Kuip; het zou immers wel eens hun Laatste Wereldtournee kunnen worden. Twee uur lang zat ze met haar hoofd in haar handen in het natte gras, achter een muur van brede baby boom-ruggen, terwijl de gitaren door de koude lucht scheurden, en een man zo oud als haar vader als een aap over het podium sprong.

Niets op tegen, zei ze later, zo'n geriatrisch feestje. Maar moeten ze er echt zoveel herrie bij maken? Waarom roepen rock-veteranen in zo'n stampvol stadion niet gewoon, net als andere oudgedienden, heel hard 'Bingo!'?

Voorjaar 1982. We waren nog geen dertig, maar al wel slecht op de hoogte. Voor ons geen punk, new wave of ander crisis-fetisjisme. Wel een Stones-concert in de Rotterdamse Kuip; het zou immers best eens Hun Laatste kunnen zijn. Op de achterbank van de rode RET-stadsbus, op weg naar het stadion, rommelend met schuimende blikjes bier, zongen we de lof van (gebalde vuisten, mannenstemmen) 'rock-'n-roll!!'

Waarom riepen we geen bingo?

Omdat rockmuziek nu eenmaal - ondanks haar voorspelbaarheid, ondanks haar afgekloven gitaarpartijen, ondanks haar uitgekauwde liefdesverdriet, ondanks de larmoyante puberlusten, ondanks de ijdel rollende spierballen - nooit openlijk van zichzelf zal erkennen dat het aangenaam en geruststellend, of zelfs (godbewaarme) 'gezellig' kan zijn.

Rockmuziek is de virtuele belofte van wild leven, de lokroep van de wildernis voor wie nog één keer wil losbreken uit het woonerf, al is het maar per draaitafel. Een belofte die natuurlijk allengs meer de herinnering van een belofte wordt, maar daarom nog niet minder krachtig is. Wie op zijn vijfendertigste op een doorwaakte nacht meebrult met 'Sweet Virginia', zoals hij op zijn vijftiende deed, die komt dicht in de buurt van het 'eeuwige moment' waarover de middeleeuwse scholastici het hadden: het nunc stans dat geen eindeloze tijd is, maar tijdloosheid. Proust lezen hoeft niet meer, een plaatje opzetten is voldoende.

Zo kunnen de Rolling Stones nu voor de generaties van de jaren zestig en zeventig dienen als sound track bij het eigen leven. En dan niet zozeer als het befaamde 'ze spelen ons liedje', waarbij tachtigjarigen op de dansvloer de tranen in de ogen springen, maar meer als halfbewuste filmmuziek, die in één lome, langgerekte beweging overzicht geeft over pieken en dalen.

Wat dus wil zeggen, dat deze popmuziek, met al zijn wilde haren, klassiek is geworden.

De Stones zijn klassiekers, zoals een BMW, een Miele-koelkast, of een toneelstuk van Shakespeare. Niet eens omdat ze al zolang meedraaien, ook niet omdat ze al zoveel echtgenotes de berm hebben ingedrukt, en niet eens omdat ze drinkend en spuitend en joggend en in zwembaden dobberend en schilderijen verzamelend het forever young-levensgevoel zo voortreffelijk vertolken.

Nee, de Stones zijn klassiek geworden omdat zij sinds de jaren zestig het Brits-Amerikaanse pact belichamen dat popmuziek haar universele, commercieel onuitputtelijke waarde heeft gegeven.

In de openingsmaten van Satisfaction is dat al te horen. Een Amerikaanse gitaar-riff die even tijdloos is geworden als die van Chuck Berry in Johnny B. Goode, gevolgd door een snerende Britse zang die gemeen genoeg is om de bourgeois te epateren, en tegelijk een aanstellerige, feestelijke noot heeft die ontbreekt in andere burgermans-bashers zoals Bob Dylan's venijnige Ballad of a Thin Man.

Engeland gaf popmuziek de ironie, excentriciteit en decadentie van een eeuwenoude klassenmaatschappij. Amerika gaf rock de power, energie en het optimisme van een sociaal mobiele middenklasse. Engeland bracht Oscar Wilde, Amerika presenteerde Jack Kerouac.

The Beatles legden het eerste knetterende contact tussen beide polen, maar Mick Jagger en zijn Stones sloten deze definitief op elkaar aan - en het resultaat vonkte als nooit tevoren. “Voor Amerikanen, niet bepaald gevoelig voor ironie en poseursgedrag, werden Jaggers 'het-kan-mij-geen-reet schelen'-houding en zijn intimiderende gesnauw verplichte ingrediënten voor een rock-ster”, schrijft Peter Shapiro in The Rough Guide to Rock.

Alle Amerikaanse jongens die sindsdien als wellustige Germaanse oorlogsgoden door de ether vlogen, van Jim Morrison tot David Lee Roth en Steve Tyler van Aerosmith, zijn schatplichtig aan die heupwiegende hofnar met de rubberen lippen, Jagger.

En als geen ander vóór hen exploiteerden de Stones daarna hun eigen imago als archetypische rockers. Ze leverden zich als een van de eersten in de jaren tachtig over aan sponsors uit het bedrijfsleven, surften mee op trends en modes en buitten hun legende uit met megalomane wereldtournees. Zelfs op het toppunt van zijn roem kon een ster als Bruce Springsteen (door criticus Jon Landua ooit verwelkomd als 'de toekomst van rock-'n-roll') hun rol niet overnemen - te Amerikaans. Laat staan een cerebrale muzikant als Elvis Costello - te Engels èn te intellectueel.

En The Beatles, dit Engelse ensemble kwam er natuurlijk al helemaal niet meer aan te pas. Nadat het zo vroeg was uiteengevallen, wisten de kopstukken Lennon en McCartney ervan de boog tussen continent en Nieuwe Wereld niet gespannen te houden; Lennon dook onder in revolutionair en later therapeutisch Amerika, McCartney verdween in de stratosfeer van de internationale easy listening.

Het hoo hoo uit Sympathy for the devil, intussen, wordt nog steeds meegehuild van Kampen tot Kuala Lumpur.

Alleen een zuurpruim zou de gitarist met het slechtste gebit ter wereld zijn miljoenen misgunnen, de stoïcijnse drummer zijn jazz-combo, of de brutaalste zanger zijn verzetjes met power women uit de wereld van glitter en entertainment.

Niet zij krijgen immers geen Satisfaction, wíj krijgen er maar geen genoeg van. En wie wel?

Hooguit de jeugd - die moet haar eigen soundtrack maken.

    • Sjoerd de Jong