Importcontract hindert energiefusie in zuiden

Het zuidelijk energiebedrijf Pnem/Mega wil de huidige contracten voor de import van stroom openbreken. Lukt dat niet, dan staat de beoogde fusie met energieproducent EPZ op de tocht.

EINDHOVEN, 25 JUNI. Het Zuid-Nederlandse energiebedrijf Pnem/Mega wil af van de importcontracten voor elektriciteit en aardgas die de Samenwerkende Elektriciteitsproductiebedrijven (Sep) hebben afgesloten. De beoogde volledige overname door Pnem/Mega van het zuidelijke productiebedrijf EPZ, dat aan die contracten gebonden is, kan de overname in de weg staan. Pnem/Mega wil de dure importcontracten beëindigen of opnieuw onderhandelingen over aantrekkelijker leveringsprijzen.

Dat bleek gisteren uit de woorden van de bestuursvoorzitter van Pnem/Mega, ir. W.K. Wiechers, bij de presentatie van de jaarcijfers. Het zuidelijke energiebedrijf wil, nadat twee maanden geleden fusiebesprekingen van de vier regionale stroomproductiebedrijven in Nederland mislukten, het liefst EPZ overnemen. Distributie en productie van elektriciteit en warmte zouden dan voor de regio in één 'verticaal bedrijf' worden ondergebracht. Ook wordt nog onderzocht of EPZ schaalvergroting kan bereiken door met een ander productiebedrijf samen te gaan. Wiechers geeft daaraan echter geen grote prioriteit.

Pnem/Mega bezit al tweederde van de aandelen in EPZ en is bereid ook het restant van het Zeeuwse nutsbedrijf Delta over te nemen als de prijs aantrekkelijk is. Daarvoor moet, aldus Wiechers, wel eerst vaststaan of EPZ concurrerend kan werken op de zich liberaliserende Europese energiemarkt. Volgens de directie van EPZ zijn daarvoor lagere bedrijfskosten en energieprijzen nodig.

EPZ zit nu nog vast aan een overeenkomst van samenwerking (OVS) met de drie andere productiebedrijven, Epon (Noord-Nederland), Una (Utrecht en Noord-Holland) en EZH (Zuid-Holland). Die overeenkomst moet nu worden 'ontvlochten', omdat ze niet meer past in de Europese regels voor liberalisering van de elektriciteitsmarkt en de nieuwe Nederlandse Mededingingswet.

Kern van de OVS is dat alle investeringskosten voor de productiesector worden gedeeld en er landelijk gelijke tarieven voor elektriciteit gelden. Ook deelden de vier productiebedrijven de afgelopen tien jaar niet-rendabele investeringen van in totaal circa 1,8 miljard gulden. Die investeringen werden in de eerdere fusie-onderhandelingen aangeduid als “de bakstenen”. Hierbij ging het vooral om projecten voor stadsverwarming en de proefcentrale voor kolenvergassing Demkolec in het Limburgse Buggenum. Dat betreft een 'toekomstinvestering' in een schonere technologie om kolen te kunnen blijven gebruiken als brandstof voor stroomopwekking. De milieuprestaties van Demkolec zijn vergelijkbaar met die van een gasgestookte centrale.

Wiechers voegde gisteren aan die twee posten ook de huidige contracten toe voor de import van aardgas uit Noorwegen en elektriciteit uit Frankrijk en Duitsland. Zo kwam hij op meer dan 4 miljard gulden voor “niet-rendabele” kosten uit.

De vraag is nu hoe die post bij de 'ontvlechting' verdeeld wordt en hoeveel ten laste komt van EPZ, het bedrijf dat Pnem/Mega wil overnemen. “Het nadeel van een verticaal bedrijf is dat je kosten van de productiesector naar je toetrekt. Niemand kan nu zeggen wat de financiële consequenties zijn als wij ons EPZ-belang behouden of het bedrijf helemaal in handen krijgen. Je weet niet welk deel van de 'bakstenen' je dan meeneemt”, zei de vice-voorzitter van de raad van bestuur van Pnem/Mega, ir. G.J.M. Prieckaerts.

De Sep, dochteronderneming van de vier regionale producenten, heeft de importcontracten steeds als aantrekkelijk gekwalificeerd. De prijs per kilowattuur voor Franse en Duitse stroom houdt ze geheim, maar deze zou lager zijn dan de productieprijs in Nederland. Per saldo (import min export) voerde de Sep vorig jaar 13 procent in van het totale Nederlandse elektriciteitsverbruik dat via de openbare productiesector werd geleverd.

Wiechers wil heronderhandelingen over de contracten, omdat ze volgens hem niet “marktconform” (meer) zijn. Hij gaat ervan uit dat de leveringsprijzen omlaag kunnen.

Dat geldt ook voor een groot contract voor de import van aardgas via de Sep, bestemd voor de Eemscentrale in Groningen. Dat contract is gebaseerd op een gasprijs die niet, zoals gebruikelijk, is gekoppeld aan de prijs van stookolie, maar aan de kolenprijs. Bij de huidige lage olieprijzen is dat contract onvoordelig. Dat zou de last van 4 miljard gulden omlaag kunnen brengen. Hij schat dat ongeveer tweederde van dat bedrag nog niet is besteed.

Ook wil Wiechers onderzocht zien of de importcontracten beëindigd kunnen worden, nu de Sep als onderneming wordt opgeheven. “Als de Sep de contractpartij is, sta je steviger in je schoenen als je de contracten wilt beëindigen of over de prijs wilt heronderhandelen.”

    • Theo Westerwoudt