Gavin Bryars' muziek is vooral leuk om te spelen

Concerten: Gavin Bryars Ensemble en Radio Kamerorkest o.l.v. Peter Eötvös. Werken van Pärt, Ives, Bryars en Takemitsu. Gehoord: 22, 24/6 Paradiso, Concertgebouw Amsterdam.

Tijdens de Mei-concerten in Den Haag trad in een grijs verleden een Zweedse componist-performer op, die ons hartelijk begroette. We kregen allemaal een hand. Dit was meer dan een ver doorgevoerde beleefdheid, het hoorde bij de compositie. Sterker nog, na het handenschudden volgde aansluitend - zij het enigszins aarzelend - het applaus.

Ook de Engelse componist en jazz-bassist Gavin Bryars (1943), wiens muziek de afgelopen dagen klonk tijdens het Holland Festival, werd sterk geboeid door conceptuele kunst. Hij bestudeerde enkele jaren het werk van Marcel Duchamp, zonder daarbij aan componeren toe te komen. In Bryars' Private Music (1969) behoudt de uitvoerder zijn privacy, zijn handelingen worden geheel afgeschermd voor het publiek. Telepathie en spiritisme, met de musicus als medium, worden aanbevolen. Theatraliteit is niet toegestaan, subtiel hummen weer wel.

Ook uit 1969 dateert zijn populaire The Sinking of the Titanic, maandag in Paradiso het eerste werk en meteen het beste. Bryars laat zich door buitenmuzikale ideeën inspireren, bij voorkeur Franse literatuur en kunst, detectives en voetbal. De Titanic-muziek is het speelse Engelse antwoord op de knalharde Amerikaanse minimal-music van die dagen. Bij minimal-music verloopt een eenmaal op gang gebracht proces automatisch. Bryars is minder streng en fanatiek.

De bezetting is min of meer vrij en een partituur ontbreekt. Een belangrijke rol spelen tapes met kinderstemmen, een cassette met gesproken teksten en een speeldoos naast een ensemble van strijkers, een paar blazers, gitaar en synthesizer. Uitgangspunt is de hymne Autumn, steeds wateriger wegebbend. Aan het slot zingt het koor het Anglicaanse Amen.

Eenmaal gegenereerde klanken sterven niet uit, zij blijven eeuwig leven in het water, als in Private Music voor ons vrijwel onhoorbaar. Dit idee wordt in het begin wat overwoekerd door hoorspelachtige elementen. De kracht van het stuk is echter dat Bryars zich verder sober aan dit uitgangspunt houdt. Vergeleken met de recente werken (Adnan Songbook en de epiloog uit Wonderlawn) is The Sinking of the Titanic een meesterwerk. Die nieuwe stukken in een stroperig andante-tempo zijn spanningsloos op het naïeve af, hebben ons niets te vertellen behalve dat Bryars dol is op Strauss' Vier letzte Lieder en Franse laat-romantiek. Muziek als een verwelkte lelie, als wat eens een mooie bloem is geweest.

De Titanic-muziek werd ooit uitgevoerd in een napoleontische watertoren en in een Brussels art nouveau-zwembad, maar de laatste tijd schrijft Bryars uitgesproken concertzaalmuziek. Twee voorbeelden daarvan (The North Shore en het Cello Concerto) bood het Radio Kamerorkest - uitzonderlijk op dreef -in het Concertgebouw - aangevuld met werken van Pärt, Ives en Takemitsu. Wat idioom betreft waren zouden Strauss, de late Lizst en de vroege Schönberg passender geweest.

In het Cello Concerto citeert Bryars Haydn, maar het resultaat is toch meer Puccini bewerkt door Thijs van Leer. In deze muziek vallen ambigue akkoordplaatsingen op, niet zozeer om onzekerheid te scheppen maar als vriendelijke inkleuringen. Het blijft melancholieke andante-muziek als een verwelkt boeket, muziek zonder weerhaakjes. Bryars' composities zijn - net als easy listening en minimal music - leuker om te spelen dan om lang naar te luisteren.