Filmmuziek; Duivelse geluiden

Het kost handenvol geld, maar toch gebruiken filmregisseurs graag muziek van de Rolling Stones als soundtrack. Tergend en zachtjes zingt de demonische voorbijganger: 'Time is on my side...'

DAT THE GREATEST Rock 'n' Roll Band in the World in een half dozijn memorabele concertfilms optrad, hoeft niemand te verbazen. De beste zijn de IMAX-film Rolling Stones at the Max (Julien Temple, 1991) en Let's Spend the Night Together (Hal Ashby, 1972). Het meeste spektakel biedt Gimme Shelter (David en Albert Maysles, 1970), het documentaire verslag van het Altamont-concert, waar een fan werd vermoord door een Hell's Angel. Om nog maar te zwijgen van Cocksucker Blues (Robert Frank, 1972). Dit kijkje achter de schermen van de Amerikaanse tournee van 1972 bevat zo veel beelden van groupies en drugsgebruik, dat The Stones bij de rechter een vertoningsverbod wisten af te dwingen. Sindsdien mag de film alleen worden vertoond in aanwezigheid van de regisseur, zoals ooit op het Rotterdams filmfestival .

De filmcarrière van Mick Jagger als acteur bestaat hoofdzakelijk uit twee Australische actiefilms, Ned Kelly (1970) en Freejack (1992), en een heel bijzondere hoofdrol, in Performance (Nicolas Roeg en Donald Cammell, 1970). Zijn hallucinerende, slangachtige vertolking in beeld van het nummer Memo from Turner is de beste illustratie van het dramatische effect dat het gebruik van Stones-nummers in film kan sorteren.

Hoewel het gebruik van The Rolling Stones op een soundtrack een astronomisch bedrag kost, laten slechts weinig regisseurs en producenten zich daardoor weerhouden. Kampioen onder de filmende fans is ongetwijfeld Martin Scorsese, die in zijn eerste grote film Mean Streets (1973) al Tell Me en Jumpin' Jack Flash liet horen, maar ook Memo from Turner en Gimme Shelter in GoodFellas (1990) en Satisfaction in Casino (1995). De code is duidelijk; laat in een film de Stones horen en de kijker begrijpt meteen wat er aan de hand is: Sympathy for the Devil. Het nummer werd gebruikt in The Fan (Tony Scott, 1996), nadat Jean-Luc Godard al in One Plus One (1970) had laten zien hoe de band het nummer in de studio opnam, als symbool van de door Europa spokende revolutie.

Moet gesuggereerd worden dat Al Pacino Satan zelf is (The Devil's Advocate, 1997), dan laat je Paint It Black horen. En, heel geraffineerd, in de recente horrorfilm Fallen (Gregory Hoblit, 1998) valt slechts op één manier vast te stellen of een moordlustige demon bezit genomen heeft van het lichaam van een toevallige voorbijganger: deze zingt, tergend en zachtjes, Time Is On My Side.

In films over Vietnam hoor je voornamelijk muziek van The Doors, Janis Joplin maar ook in hoge mate The Rolling Stones. De trend werd ingezet door Francis Ford Coppola in Apocalypse Now (1979), wanneer de boot naar het hart van de duisternis vaart onder het stampende geluid van (I Can't Get No) Satisfaction, en vond zijn hoogtepunt in de manier waarop Stanley Kubrick Paint It Black gebruikt in Full Metal Jacket (1987). Inmiddels is geen documentaire of tv-serie over Vietnam meer denkbaar zonder de stem van Jagger.

Het grootste eerbetoon dat een rockgroep in de filmwereld ten deel kan vallen is wellicht het vernoemen van een productie naar de titel van een song. Nu was Paint It Black (Tim Hunter, 1989) maar een inferieur thrillertje en had Angie (Martha Coolidge, 1994) niet zoveel met de gelijknamige song te maken, in tegenstelling tot de concertfilm Let's Spend the Night Together. Nee, het mooiste gebruik van een Stones-nummer in een filmtitel is Jumpin' Jack Flash (Penny Marshall, 1986). Ook na het zien van die film weet niemand nog wat het betekent: computeroperateur Whoopi Goldberg krijgt een mysterieuze e-mail uit Rusland van iemand die zich Jumpin' Jack Flash noemt (het nummer wordt op de soundtrack zowel gezongen door de Stones als door Aretha Franklin) en haar uitdaagt zijn wachtwoord te kraken. Dat lukt, zij het niet door alle voornamen van Micks vriendinnen in te voeren zoals Goldberg eerst probeert.

De Stones zijn duivels, rebels en verbinden wereldwijd onbekenden aan elkaar in hun gemeenschappelijke kennis van de songteksten. Maar er is ook nog iets anders.

Elke schoolfuif aan het einde van de jaren zestig nam een andere wending, wanneer rond een uur of elf Tell Me opgezet werd: het teken tot schuifelen, dat gelukkig tijdig kon worden onderbroken voor een upbeat-intermezzo, als het te machtig werd, en dan weer zalig hernomen. Als in Body Heat (Lawrence Kasdan, 1981) Kathleen Turner probeert William Hurt te verleiden, past er maar één muzikale samenvatting van de zweterige geilheid en onmacht: You Can't Always Get What You Want.

    • Hans Beerekamp