Begeleiders; Onmisbaar en onzichtbaar achter de toetsen

De Rolling Stones waren altijd een band met vijf leden. Maar achter de schermen, en ook ervoor, waren er nog meer 'Stones'. Vereist waren muzikale kwaliteiten. Wie bovendien genoeg dronk, rookte en snoof, had nog een streepje voor.

IN FEBRUARI 1975 werd de Ierse bluesgitarist Rory Gallagher in het diepste geheim naar Rotterdam overgevlogen. De Rolling Stones repeteerden er voor een wereldtournee en de groep kampte met een acuut gitaristenprobleem. Mick Taylor, in 1969 de vervanger van de in zijn eigen zwembad verdronken Brian Jones, had zijn ontslag ingediend en noemt zich sindsdien 'de enige gitarist die de Rolling Stones levend heeft verlaten'. Keith Richards maakte er geen geheim van dat hij als wandelend testlaboratorium voor verdovende middelen door het leven ging en voerde al jarenlang de ranglijst aan van artiesten die op de nominatie stonden aan een overdosis te bezwijken. Keith had behoefte aan ondersteuning, maar wel op zíjn voorwaarden.

Voor de Stones brak een periode aan die later als the great guitarist hunt in de boeken kwam. In het geruchtencircuit vielen de namen van Chris Spedding, Eric Clapton, Steve Marriott, Ron Wood, Leslie West, Harvey Mandel en Wayne Perkins. Met de twee laatstgenoemden werd daadwerkelijk gerepeteerd en hun bijdragen zijn te horen op de elpee Black And Blue. Harvey Mandel (ex-Canned Heat) speelde de voor de Stones atypisch heldere gitaarpartij in Fool To Cry, een nummer waarbij Keith Richards ooit op het podium in slaap viel. Richards sprak zijn veto uit over de virtuoze maar ten minste zo slaapverwekkende blues-escapades van Rory Gallagher en koos voor het ruige, niet ver van zijn eigen stijl verwijderde gitaarspel van Ron Wood, een geestverwant die hem behalve muzikaal ook op het gebied van drank en drugs kon bijhouden.

Mandel en Perkins waren niet de eerste en ook niet de laatste verborgen leden die de Rolling Stones voor korte of langere tijd aan hun bezetting toevoegden. Sinds de begindagen in 1962 was pianist Ian Stewart prominent bij de groep betrokken, in eerste instantie omdat hij de enige was met een rijbewijs. Later leverde Stewart zowel live als in de studio een onmisbare bijdrage met functioneel blues-pianospel. Omdat manager Andrew Loog Oldham zes leden te veel vond en 'Stu' de saaiste was van het stel, bleef Stewart tot zijn dood in 1985 achter de schermen als de onzichtbare 'zesde Stone'.

Hoewel de Rolling Stones de geschiedenis zullen ingaan als de belangrijkste gitaarrockband van de eeuw, werd er op praktisch al hun platen door een anonieme toetsenman meegepingeld. Boogiewoogiepianist Nicky Hopkins maakte zijn debuut op het flower power-album Their Satanic Majesties Request (1967) en bleef tot hij in 1982 werd vervangen door Allman Brothers-toetsenman Chuck Leavell. Bij de legendarische Paradiso-concerten van 1995 deelde Leavell de piano- en orgelkruk met producer Don Was, die ook bij de huidige Bridges to Babylon-tour van de partij is.

Organist Billy Preston behoort tot de weinige muzikanten die zich kunnen beroemen op het feit dat ze zowel bij The Beatles als bij de Rolling Stones hebben gespeeld. Preston is prominent aanwezig op Sticky Fingers: zijn orgelsolo in I Got the Blues behoort tot de beste uit de pophistorie. Toen Preston tijdens de Black And Blue-tournee regelmatig in het voetlicht sprong om een dansje met Mick Jagger te maken en hij op zeker moment zijn eigen geluidsman achter het mengpaneel eiste, waren zijn dagen bij de Stones geteld. Bij de recente soloconcerten van de afvallige Stones-bassist Bill Wyman werd het nummer Melody nadrukkelijk aangekondigd als “een compositie van Billy Preston”, hoewel de royalty's in al die jaren naar Jagger & Richards zijn gegaan.

Een ander 'geheim' lid van de Stones dat om een auteursrechtenkwestie in onmin leeft met de inhalige 'Glimmer Twins', is Ry Cooder. In 1968 werd de Amerikaanse gitarist door arrangeur Jack Nitzche naar Engeland gehaald voor de sessies van Beggars Banquet. Cooder speelde mandoline op Love In Vain en met zijn indringende bottleneckgitaarspel drukte hij later zijn onmiskenbare stempel op Mick Jaggers solohit Memo from Turner en op Sister Morphine, een compositie die pas na veel juridisch geharrewar voor eenderde aan Jaggers ex Marianne Faithfull werd toegeschreven. Een soortgelijk dispuut ontstond toen Cooder beweerde de openingsakkoorden van de hit Honky Tonk Women te hebben verzonnen; een kwestie die nooit formeel is afgehandeld en die door Keith Richards ten stelligste wordt betwist. Hoewel de naam van multi-instrumentalist Ry Cooder onmiddellijk viel als mogelijke opvolger van de veelzijdige Brian Jones, werd de Amerikaan geruisloos afgevoerd uit het Stones-kamp.

Vanaf het prille begin zochten de Rolling Stones samenwerking met muzikanten die hun muzikale horizon konden verbreden. De gitaristen Jimmy Page en John McLaughlin speelden mee op enkele vroege demo's, die later het daglicht zagen op de verzamelplaat Metamorphosis. Nadat John Lennon en Paul McCartney in een half uur de hit I Wanna Be Your Man voor de Rolling Stones uit hun mouw hadden geschud, wilden Jagger en Richards zich niet langer beperken tot de bluesstandards van zwarte Amerikaanse artiesten.

De toen (1964) al legendarische producer Phil Spector werd uitgenodigd bij een opnamesessie en speelde sambaballen toen de Stones Not Fade Away van Buddy Holly vertolkten. De latere bassist van Led Zeppelin, John Paul Jones, arrangeerde het orkest van She's a Rainbow en het London Bach Choir werd ingeschakeld voor de overdonderende koorzang van You Can't Always Get What You Want. Brian Jones maakte veldopnamen van de Joujouka Master Musicians of Morocco, die vele jaren na zijn dood uit de kast werden gehaald voor de Stones-cd Steel Wheels. Beroemde gasten in de opnamestudio werden onmiddellijk ingeschakeld voor het achtergrondkoor: Lennon & McCartney in We Love You, Dr. John in Let It Loose, David Bowie in It's Only Rock 'n' Roll en Pete Townshend in Slave van Tattoo You waarop tenorsaxofonist Sonny Rollins een gedenkwaardige (zij het weggemixte) partij meeblaast.

Een nimmer op het podium ontbrekende hulp-Stone is de Texaanse saxofonist Bobby Keys, die in 1969 voor het eerst werd uitgenodigd. Keys' robuuste tenor is niet weg te denken van het Sticky Fingers waarop hij zich met trompettist Jim Price in de beste soultraditie van de Memphis Horns doet gelden. Ook om een andere reden is Keys een onmisbare employé, want de om zijn excessen met drugs en nachtenlang doorhalen beruchte Texaan geldt als beschermengel van Keith Richards. “Ik ga niet dood”, zou Richards ooit gezegd hebben, “voordat Bobby Keys dood is.”

Rory Gallagher had minder geluk. Hij stierf in 1995 aan de gevolgen van een levertransplantatie, na een leven waarin de drank hem tot een schaduw had gemaakt van de gitaarheld die hij ooit was. Een Rolling Stone is hij nooit geworden, zelfs niet achter de schermen.