Anthony Caro over zijn expositie; 'Het verhaal komt terug in de beeldhouwkunst'

Voor een tentoonstelling in Londen maakte Anthony Caro, de nestor van de Britse beeldhouwkunst, vijf beelden naar De stoel van Vincent van Gogh. Twee daarvan zijn nu in Nederland te zien. “Vaak kijk ik drie maanden niet naar een werk”, zegt Caro, “en dan breng ik veranderingen aan.”

Anthony Caro. T/m 1/8 bij galerie Josine Bokhoven, Prinsengracht 154, Amsterdam. Geopend: di t/m za 13-18 uur en de eerste zondag van de maand.

AMSTERDAM, 25 JUNI. Hij vindt het niet erg als zijn beelden nu ergens op lijken. “Ik ben van het rechte pad van de zuivere abstractie afgeweken. Ik maak me geen zorgen meer over wat mag of niet mag.”

Anthony Caro, 75 jaar, is the grand old man van de Britse beeldhouwkunst. Als docent aan de St. Martin's School of Art in Londen was hij een belangrijke katalysator van de opleving van de beeldhouwkunst die begon met Richard Long, Barry Flanagan en Gilbert & George. Caro is de schakel tussen de klassieke sculptuur van Moore en Barbara Hepworth, en de hedendaagse Engelse kunst.

De beeldhouwer van zware beelden van gelast staal is verrassend klein van gestalte, heeft een zorgvuldig bijgehouden korte grijze baard, en gaat zeer British gekleed in een donkerblauw jasje met gestreept overhemd en een lichte corduroy broek. Caro is in Nederland voor een expositie van recent werk in de Amsterdamse galerie van Josine Bokhoven.

Caro's loopbaan begon begin jaren vijftig als assistent in de werkplaats van Henry Moore. Hij leerde er het lump modelling, een expressieve manier van modelleren waarbij het niet gaat om fijne articulatie maar om een ruw en overvloedig opbrengen van materiaal totdat zware gezwollen vormen ontstaan. Maar deze manier van werken bevredigde Caro niet. In 1959 vertrok hij naar de Verenigde Staten waar hij de beroemde beeldhouwer David Smith ontmoette. Smith, die geassembleerde, kubistische stalen beelden maakte, zou van grote invloed zijn op de ontwikkeling van Caro. Ook raakte Caro er bevriend met Color Field-schilders als Kenneth Noland, Clyfford Still en Morris Louis, die grote abstracte doeken schilderden zonder enige suggestie van ruimte of zelfs onderwerp. Caro: “Wij spraken dezelfde taal. De Europese kunst, zoals in Parijs in de jaren vijftig, was voor mij too arty geworden. De Amerikaanse kunst was aards en concreet, zonder overtonen van poëzie en surrealisme.”

Caro maakte een grote ommezwaai: het modelleren zou voorgoed tot het verleden behoren. Voortaan construeerde hij zijn beelden uit platen en buizen van staal, die hij direct op de vloer zette zonder sokkel. Hij ontwikkelde zich in de richting van een volkomen abstracte beeldhouwkunst die bepaald werd door ritmes van open en gesloten vlakken, door contrasten van het gewicht van stalen platen en de ogenschijnlijke gewichtsloosheid van dunne staven, en door de wisselende textuur van roestig, gepolijst of kleurig gelakt staal. Kettingen, buizen, ketels, grote scharen, vleugels van hefschroefmotoren, allerlei voorwerpen maakten deel uit van deze fysieke, tastbare beelden.

Dit is zijn werkwijze gebleven. Dagelijks loopt hij na het ontbijt over Hampstead Heath drie kilometer van zijn huis naar de studio, waar zijn assistenten dan al aan het werk zijn. “Ik maak geen tekeningen. Ik begin het werk thuis in het weekeinde, aan een tafel in mijn kleine garage. De onderdelen breng ik naar mijn studio, waar assistenten de beelden in elkaar zetten. Vaak kijk ik er dan drie maanden niet naar om, en dan breng ik veranderingen aan.”

Sinds enkele jaren verwerkt Caro ook brokken steen en klompen keramiek in zijn sculpturen. Tegelijk zijn de beelden minder abstract geworden, af en toe duikt een menselijk gestalte op of krijgen de beelden het aanzien van een stilleven. De National Gallery maakte eerder dit jaar een expositie van Caro in combinatie met schilderijen, waar te zien was dat Caro zich meer en meer laat inspireren door oude schilderkunst, bijvoorbeeld door een processie van soldaten en banieren van de renaissance-schilder Andrea Mantegna, of door Le Déjeuner sur l'Herbe, dat Picasso schilderde naar het gelijknamige doek van Manet.

“Het verhaal komt terug”, zegt Caro. “Het is begonnen met sculpturen die de Trojaanse oorlog verbeelden, ruwe helden, stalen sculpturen met koppen van krijgers in keramiek. Ik ben op dit moment bezig met een serie werken die in zekere zin verwant is aan de Zwarte schilderijen van Goya. Ze komen voort uit de oorlog in Bosnië. Al die verschikkelijke dingen, zo aanwezig en zo nabij, ik kon het niet geloven. Ik maak een verzameling dozen, ongeveer van hetzelfde formaat, waar je tussendoor loopt en dan zie je kleine scènes: mensen opgehangen aan hun haar, schedels enzovoort, het is moeilijk te beschrijven. Maar ook maak ik nog steeds abstracte beelden. Het is niet moeilijk om een verhalende beeldhouwkunst te maken. Zuivere beeldhouwkunst is veel moeilijker.”

Voor de tentoonstelling in de National Gallery maakte Caro vijf beelden naar het schilderij De stoel van Van Gogh uit 1888. Twee ervan zijn in Amsterdam te zien. Ze bestaan uit zware broodvormige blokken keramiek, die een ingezakte vorm kregen eenvoudigweg doordat Caro erop ging zitten toen ze nog zacht waren. Eromheen maakte hij een soort ruimte, een bouwsel van stalen platen, abstract als een kubistische collage, maar met verrassend realistische aspecten. Zo roept een liggend hellend vlak associaties op met de schuinoplopende plavuizenvloer in de kamer van Vincent.

Caro is zijn leven lang een bevlogen docent geweest, maar nu zou hij dat niet meer kunnen zijn, zegt hij. “De afstand die er was tussen mij en Moore is niet hetzelfde als de afstand tussen mij en jonge beeldhouwers als Damien Hirst en de Chapman-broers. Er is een onoverbrugbaar verschil van attitude, van mentaliteit. Er heerst nu het idee dat there's no specialness about art. Onlangs zag ik een film van Hirst getiteld Hanging About. Het was een goede film, maar vervuld van zelfmedelijden. Veel jonge kunst is vol van zelfmedelijden. Hirst zei met zijn film dat hanging about is waar het leven om draait. Ik ben het daar niet mee eens. Ik wil niet ouderwets zijn, maar alle dingen zijn niet hetzelfde. Kunst is voor mij betekenisvol.”

    • Janneke Wesseling