Kuba Walda's met uitsterven bedreigd

Voorstellingen: De Kuba Walda's door Orkater en Het Panorama van Rotterdam o.l.v. Joost Ranzijn. Gezien: 22/6 op de Parade, Museumpark, Rotterdam. Parade-tournee: Den Haag, Utrecht en Amsterdam, t/m 8/8. Inl. (033) 4654555.

Ze lijken op kabouters, en ze wonen ook in zo'n kneuterig kabouterhuisje met meubilair van boomstronkjes. Maar al honderden jaren gaan deze twee kereltjes met baarden en puntmutsen er prat op dat ze Kuba Walda's zijn - authentieke bosbewoners met geile lusten, occulte gebruiken, een hang naar paddo's en al die andere dingen waar Rien Poortvliet in zijn kabouterboeken geen aandacht aan heeft besteed. Hun koddige verschijning en hun taal vol verkleinwoordjes is misleidend; ze zijn trots op hun tradities.

Althans: één van de twee is dat nog, in de door Maria Goos geschreven en geregisseerde Orkater-productie De Kuba Walda's in een rond tentje op de Parade, de reizende theaterkermis die in Rotterdam de zomertournee van dit jaar is begonnen. De ander vindt dat je met je tijd moet meegaan, want in het bos is immers voor hun soort geen nuttig werk meer te verrichten. “De natuur is klaar”, zegt hij. En dus staat hij tegenwoordig in Intratuin, met een mandje kiwi's en een prijskaartje op zijn rug. Zijn vriend doet dat ook, die duwt een kruiwagentje, maar hij kan er niet meer tegen. Hij voelt zich vernederd en wil terug naar de wereld van vroeger.

Met alle flair die op de Parade vereist is, maar ook met gevoel voor het conflict dat hier op de vierkante millimeter moet worden uitgevochten, spelen Peter Blok en Nico de Vries de twee rollen. Dankbare rollen zijn het, al komen er iets te veel Poortvliet-grappen voorbij en is de afronding (na een dik half uur) nogal abrupt. Dwars door alle burleske kwinkslagen weten de spelers waarachtig deernis met die malle mannetjes op te roepen, want het is niet niks: de keuze tussen aanpassen of uitsterven.

In de tent naast de hunne richt filmer Joost Ranzijn iets heel anders aan: Het Panorama van Rotterdam, een onderhoudend allegaartje van smachtende zeemansliederen, gezongen door Maarten van Roozendaal en Ron Verhoef, archieffilmpjes van de bedrijvigheid in de oude Rotterdamse haven, portretdia's van verweerde zeemanskoppen en wulpse deernen, een kakofonie van scheepsfluiten, woelige baren en andere geluidseffecten en een paar ultrakorte filmpjes van Ranzijn zelf. Met speelgoedbootjes in een studio-bassin laat hij een schip in noodweer zien, en in de stijl van Ciske de Rat ensceneerde hij het onverwoestbare Ketelbinkie-lied.

Vóór hun voorstelling staan Van Roozendaal, Verhoef en Ranzijn zelf voor hun theatertje om de burgers en buitenlui naar binnen te lokken. Net als Blok en De Vries trouwens, als ware kermisklanten die wonderwel wat in petto hebben.