De Drie Zusters weten precies wat treurig is

Voorstelling: Drei Schwestern van Anton Tsjechov door Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz. Regie: Christoph Marthaler. Decor: Anna Viebrock. Spelers: Winfried Wagner, Eva Brumby, e.v.a. Gez.: 23/6, Muziektheater, Amsterdam. Herh. aldaar vanavond, aanv. 19u00. Inl. 020-5307110.

Het decor van zijn vaste ontwerpster Anna Viebrock is misschien wel de belangrijkste acteur in Christoph Marthalers enscenering van Tsjechovs Drie Zusters. Het situeert, kantelt, interpreteert en becommentarieert het stuk. Het is het tastbare resultaat van een uitgangspunt. Marthalers versie speelt zich niet vóór de Revolutie af, maar erna, vermoedelijk lange tijd erna zelfs. Precies zoals de grootvorsten van weleer in documentaires over het huidige Rusland zijn de landadelijke zusters paupers geworden. Ze zijn verslonsd, en op leeftijd en ze wonen in een huurkazerne.

In het trappenhuis van een tot huurkazerne omgebouwd patriciërshuis, om precies te zijn. Ongelooflijk mooi gedetailleerd door Viebrock. Een fineerwand, zachtboard (dat waarschijnlijk beschadigd en ooit prachtig gipswerk aan het oog onttrekt), naakte TL, een rioolbuis langs de trap, half afgekrabd behang, overgekalkte panelen. Glorie is een wel zeer verre voorouder van dit zorgvuldige verval, van deze chic-luie trap, waarover dames in ruisende baljurken horen af te dalen. Viebrock is een uitzonderlijk getalenteerd observator.

Wat een prachtig en modern stuk schreef Tsjechov toch, dat ook dit ermee gedaan kan worden! Het is een reeks short cuts, plot- en pointeloze scènes, die tezamen en op de langere termijn pas betekenis krijgen. Straffeloos kan Marthaler Prozorow en zijn zussen, de kapitein, de overste en de baron veranderen in bijna anonieme figuren, waarvan verleden en identiteit er al lang niet meer toe doen. Wat er ook aan vooraf ging, nu wonen ze hier, op en rondom die trap, dat fatum dat hun gebruikelijke verveling in uitzichtloosheid omtovert. Niet langer zijn ze de producten van een feodaal bestel, maar van marxisme en gelijkschakeling: Tsjechov zou er zelf vast ook van opkijken.

De enscenering is er onmiskenbaar één van Marthaler, inmiddels eerder gevierd dan berucht. Traag (drieëneenhalf uur) en trefzeker spint hij het cocon, waaruit de toeschouwer niet meer ontsnappen mag. Terugkerende motieven, muzikaal en visueel, zijn een stijlkenmerk. Hij last (onhandige) dansjes in, en (vals gezongen) liedjes en volksmelodietjes. Misschien wel Chopin en Schubert, ik kon ze bijna meeneurie¨n maar niet thuisbrengen. Marthaler is de Pina Bausch van het toneel en half-half ook choreograaf. De bode Ferapont steggelt, stokoud als hij zijn mag, ritmisch de trap af, de zusters in ganzenpas, met synchrone armzwaaien. Diep in hun hart zijn ze Ginger Rogers.

Marthaler maakt het zijn toeschouwer niet gemakkelijk, en dan doel ik niet op de lengte en het tempo van zijn voorstelling. Zijn precisie en die van zijn acteurs - ouder tot oud, een verworvenheid van het Duitse theater - zijn adembenemend. Ze weten precies wat ze doen en hoe. Ze weten wat treurig is en wat treurig stemt. Gemodder op een trap, een pendule die in het trapgat stort, een oude man die dwangmatig enkele krullen van het relingwerk blauw verft, wasgoed over de leuning, nachtkastjes op bed-afstand naast elkaar zetten: zonder bed ertussen. Zwijgend koek eten, de schouders laten hangen, groepsgewijs de cake van de oude Njanja weigeren.

Dat alles is overtuigend, maar er is ook iets dat me stoort. Het Marthaler-sjabloon, het concept. Het superioriteitsgevoel dat er aan ten grondslag kan liggen. Mensen tonen als patiënten in een inrichting, die de krullen van de trap blauw verven, die tegen beter weten in cake blijven bakken, die in het trapgat staren en daar beneden het Moskou waarnaar ze verlangen, zien liggen, het sigaretjes roken, de kruiswoordpuzzel onder de neus. De slapstick met een kapotte deur en het dansje met langspeelplaat versterken, in de tweede helft, mijn ongemakkelijk gevoel over wat prachtig theater kan zijn maar ook resultaat van gemakzuchtig denken. Drie Zusters als een gekkenhuis voorstellen is bovendien ineffectief: gekken zijn ongevaarlijk. Mensen die eigenlijk denken dat ze Napoleon zijn - tja, die willen naar Moskou, vanzelfsprekend. Maar ons eigen onstilbare verlangen belichamen ze niet.