China bederft stemming bij bezoek Clinton

PEKING, 24 JUNI. Aan de vooravond van het negendaags bezoek van de Amerikaanse president Bill Clinton aan China, heeft de regering in Peking opnieuw bewezen dat ze of weinig gevoel heeft voor public relations of lak heeft aan alle diplomatieke conventies. Begin deze week hebben de Chinese autoriteiten de visa ingetrokken van drie journalisten die mee zouden reizen in het meer dan duizendkoppige gevolg van de Amerikaanse president.

De betrokken journalisten zijn werkzaam bij Radio Free Asia, een zender die op initiatief van het Amerikaanse Congres sinds 1996 Chineestalige politieke programma's uitzendt in China. Volgens een woordvoerder van de Chinese ambassade in Washington zijn de journalisten, onder het mom van “vrije informatievoorziening” uit op “inmenging in binnenlandse aangelegenheden” van China.

De intrekking van de visa, die gisteren door president Clinton werd veroordeeld, is koren op de molen van het Amerikaanse Congres en de Amerikaanse publieke opinie. In de Verenigde Staten bestaat heftige kritiek op Clintons inschikkelijke Chinabeleid. “Dit is censuur, klip en klaar, en de Amerikaanse regering zou daar tegen in opstand moeten komen”, zo schreef de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, Newt Gingrich, in een brief aan Clinton. Het Witte Huis had toen al besloten dat het zich wenst te beperken tot een formeel protest; de drie journalisten mogen ondanks aandringen van Radio Free Asia en verschillende leden van het Congres niet mee in het vliegtuig waarmee Clinton vanavond, Amerikaanse tijd, naar China vertrekt.

Voor het Witte Huis komt het incident uiterst ongelegen. De regering-Clinton hecht grote waarde aan het herstel van goede betrekkingen met China, en tracht de binnenlandse politieke offers die dat met zich meebrengt zo beperkt mogelijk te houden. Nu Clinton voorgoed een punt lijkt te hebben gezet achter zijn confronterende beleid ten opzichte van China, is één van de belangrijkste doelstellingen die hij zich met het bezoek aan Peking heeft gesteld, het Amerikaanse publiek ervan te overtuigen dat China wel degelijk ook over een menselijk gezicht beschikt.

Maar zelfs recente incidenten op kleinere schaal belichten hoe lang de weg is die China in veel opzichten nog heeft te gaan, alvorens het voldoet aan een voor de VS wenselijke norm. Op een eveneens onhandig gekozen tijdstip legde afgelopen weekeinde het Bureau voor culturele zaken in Shanghai een uit die stad afkomstig klassiek Chinees operagezelschap een verbod op naar de VS te reizen voor de uitvoering van een twintig uur durende opera in New York. Volgens het officiële dagblad Wenhuibao is het vierhonderd jaar oude liefdesdrama doordrenkt met “feodale, bijgelovige en pornografische rotzooi”. De productie is enkel uit op het tonen van een “achterlijk verleden”, aldus de krant.

Ondanks pogingen van de New-Yorkse festivalleiding de Chinese censor tot andere gedachten te brengen - volgens de directeur van het festival bevat het stuk niets wat het Amerikaanse publiek zou kunnen shockeren - blijft het verbod van kracht. De Chinese autoriteiten hebben daarmee het Amerikaanse publiek bewezen dat de controle over culturele activiteit in China stevig in handen rust van de staat, en dat van een Pekingse Lente, zoals hier en daar door Amerikaanse correspondenten in China is beweerd, in menig opzicht geen sprake is.

    • Floris-Jan van Luyn