William Kentridge is als regisseur te zachtmoedig

Voorstelling: Il Ritorno d'Ulisse in Patria van Claudio Monteverdi. Regie: William Kentridge en Handspring Puppet Company; muzikale leiding: Philippe Pierlot; decor en kostuums: Adrian Kohler; zangers: Scot Weir, Guillemette Laurens, Wilke te Brummelstroete. Gezien 22/6 Stadsschouwburg, Amsterdam. T/m 25/6 aldaar.

Het is dringen geblazen op het toneel tijdens de uitvoering van Monteverdi's opera Il Ritorno d'Ulisse in Patria. De Zuid-Afrikaanse regisseur William Kentridge maakt het de toeschouwer lastig een focus te vinden, sterker: ik wist niet goed naar wat of wie te kijken. Dat 'wat' zijn houten marionetten die de hoofdrollen verbeelden. Odysseus en zijn echtgenote Penelope hebben klassieke profielen, zoals afgebeeld op Griekse vazen. Ook de vrijers van Penelope, die tijdens Odysseus' afwezigheid haar belagen en trachten te behagen, zijn poppen. Monteverdi's opera, geschreven in 1640-'41 verbeeldt de laatste delen van de Odyssee van Homerus. Over liefde en gemis gaat het, over kuisheid en verlangen. Ondanks dat de mannen druk doende zijn Penelope te winnen, bijft zij haar echtgenoot trouw. Zij weeft aan haar slaapkleed, zonder dat ooit te voltooien.

In 1990 regisseerde Pierre Audi bij de Nederlandse Opera deze Il Ritorno. Hij maakte er een intense, esthetisch-dramatishe voorstelling van met eeuwenoude beelden als zon, stenen, licht, verlatenheid, vuur. Bij Kentridge zijn de emoties naar binnen geslagen. Wat ik wezenlijk miste, was de band tussen de zanger en de toeschouwer. De expressie van de poppen laat sowieso te wensen over. Gesloten gezichten. Bovendien kijken de zangers niet in de zaal, maar richten zij hun teksten tot de poppen. Ik probeerde hardvochtig de poppen niet te zien. Kentridge maakt een denkfout. Hij zegt dat de marionetten bedoeld zijn om 'de kloof te overbruggen tussen Monteverdi's muzikale taal en de operaconventies die wij als gekunsteld en onecht ervaren'. Dat lijkt me een oneigenlijke tegenstelling. Er is niets tegen een zingende zanger. En wie met hartenbloed regisseert heeft met conventies niets van doen.

De poppen contrasteren met de animatiefilms, die tegen de achterwand verschijnen. Die waren intrigerend, mysterieus, suggestief. Kentridge maakt houtskooltekeningen die, terwijl hij eraan werkt en soms weer uitgomt, door een camera worden gefilmd. Is de pop buitenkant, de films vertonen binnenkant. Odysseus ligt in een ziekenhuis, hij droomt van zijn terugkeer. We hebben dus, verwarrend genoeg, twee helden. De films tonen vooral veel anatomie. Met een lancet gaan we onderhuids, zien hoe een hart klopt, hoe bloed stroomt, hoe een chirurg een incisie maakt, hoe de chirurg een opengesneden lichaam weer dichtnaait. Toepasselijk verbeeldt het decor dan ook een snijzaal.

Ik miste in deze voorstelling de pure, gepassioneerde eenvoud van Audi's enscenering. Kentridge wil teveel. Desondanks gaat hij voorbij aan wat opera tot een dramatisch genre maakt: de gezongen taal. Een subtiel detail was dat de zangers en zangeressen de handen van de poppen bewogen met zwarte latjes. Hierdoor ontstond de nodige expressie. Maar de bedieners van de poppen stonden tegelijk zo in het vizier, dat de ordeloosheid weer toesloeg. Pas in de scène dat de vrijers de boog van Oyddeus moeten spannen om zich in mankracht te bewijzen, vielen animatiefilm en handeling samen. Ineens ontstond er opera.

De zangers wilden wel, maar moeten zich in hun gestiek toch gesneefd voelen. Wilke ten Brummelstroete als Melanto en vrouwe Fortuna maakte haar personages krachtig en lyrisch tegelijk. Scot Weir in de titelrol had minder temperament dan zijn tegenspeelster, Guilemette Laurens als Penelope. De muzikale begeleiding was intiem, te bescheiden eigenlijk. William Kentrdige zoekt geen heftige of gevaarlijke contrasten, hij is te zachtmoedig als operaregisseur. De felle jaloezie van Odysseus jegens de vrijers kan in deze regie geen enkele demonie hebben. En juist drama en heftigheid miste ik. Die poppen bleven een obstakel en brachten mij weg van Monteverdi's muziek in plaats van, zoals Kentridge het verkeerd bedacht, er dichter naartoe.