Wars van alle soorten effectbejag; F.B. Hotz krijgt P.C. Hooftprijs voor verhalend proza

AMSTERDAM, 23 JUNI. Op warme gevoelens voor het moderne heden zul je F.B. Hotz niet gauw betrappen. Zijn contemporaine personages keren de buitenwereld liever de rug toe, net als de schrijver zelf. Ze draaien oude grammofoonplaten, houden van een avant-garde die geschiedenis is geworden, en wanneer via de radio (de televisie ontbreekt in Hotz' universum) toch iets van het heden tot hen doordringt, is de reactie er een van afgrijzen.

In het titelverhaal van Duistere jaren hoopt de verteller zelfs dat 'het einde nabij' is, nadat hij op de radio een man en een vrouw zonder enige schroom heeft horen uitweiden over hun seksuele problemen. In gedachten ziet hij ijsschotsen verschijnen op de Maas en op de Rijn. Pas daarna volgt de relativerende toevoeging: 'Misschien had men die twee in de Hilversumse studio op elkaar los moeten laten. Maar met de microfoon dicht graag'.

Gisteren werd bekend gemaakt dat F.B. Hotz de P.C. Hooftprijs voor verhalend proza krijgt. De jury, onder voorzitterschap van Elsbeth Etty, waardeert in het werk vooral 'de zeggingskracht van Hotz' onnadrukkelijke, bijna alledaagse stijl die, wars van effectbejag, puur door de taal zelf doel treft.' De prijs bedraagt 125.000 gulden, waarvan Hotz 75.000 gulden zelf mag bestemmen en 50.000 gulden aan een literair doel moet besteden.

Het is niet te verwachten dat de toekenning van de prijs Hotz tot meer geestdrift voor het heden zal aanzetten. Vorig jaar verscheen onder de definitief klinkende titel Het werk zijn verzameld proza, waarmee de schrijver Hotz nog tijdens zijn leven afscheid leek te hebben genomen van het hier en het nu. In het werk zelf was dat al eerder gebeurd, want het merendeel van Hotz' verhalen speelt zich af in een vooroorlogs verleden. Zijn stuurse stijl en bedwongen emotionaliteit sluiten daar op een wonderlijke manier bij aan, zonder ooit ouderwets of belegen te worden. Het maakt zijn oeuvre tot een intrigerend Fremdkörper in de hedendaagse literatuur.

Toch krijg je niet de indruk dat het Hotz alleen of zelfs in de eerste plaats om nostalgie is te doen. 'Nostalgie is vlucht, en het leven kan niet zonder zijn dood', merkt hij zelf ergens op. Van een verheerlijking van zijn favoriete jaren twintig of van de negentiende eeuw is geen sprake. Ook het verleden heeft last, zoals een van zijn personages het uitdrukt, van 'chronische chaos'. De oorlog tussen de seksen, die in zo veel van zijn verhalen woedt, en de vergeefsheid van het menselijk streven zijn van alle tijden. In de nadruk op deze constanten vindt zijn liefde voor vroeger een ontnuchterend tegenwicht.

'Het verleden is eeuwig', schrijft Hotz in zijn novelle De voetnoot, naar aanleiding van de beelden die oude 'dansplaten' bij hem oproepen. In zijn verhalen hebben deze beelden de woorden gevonden die ze daadwerkelijk voor altijd vastleggen. Hotz zou je een literair archeoloog kunnen noemen, die aan muziek, voorwerpen, gebouwen en pas in laatste instantie foto's genoeg heeft om de voorbije wereld waaruit ze afkomstig zijn op papier te doen herleven. Juist die nadruk op het tastbare en het concrete geeft zijn verhalen een bijna zintuiglijke kwaliteit. Ogenschijnlijk ontbreekt elke distantie, waardoor het vaak ettelijke bladzijden duurt voordat je in de gaten hebt in welke tijd zijn personages leven.

Onbetekenende personages zijn het meestal, op wie Hotz de aandacht richt, onbetekenend in het grote verhaal van de geschiedenis. Vanuit de marge nemen ze er deel aan, niet zelden via obsessies die hun persoonlijke leven danig in de war sturen. Hun lotgevallen worden door Hotz met ironie beschreven, maar ook met onmiskenbaar mededogen. In het titelverhaal van zijn eerste bundel Dood weermiddel mogen alle inspanningen om een vestingwerk te behouden en te versterken op niets zijn uitgelopen, de koppige verteller weet er wel troost en zelfrespect, hoe wankel ook, aan te ontlenen.

Op een niet minder ironische wijze waardeert Hotz de avant-garde van weleer. Haar grootse verwachtingen verwijzen niet meer naar een stralende toekomst, maar zijn voor hem een bron van melancholie geworden, omdat ze achteraf bij uitstek de geest van hun tijd blijken te vertolken. Wie zich waagt aan een vlucht naar voren, eindigt onherroepelijk in het verleden. En zo hoort het ook, lijkt Hotz te willen zeggen in het enige verhaal ('Theodicee' uit zijn laatste bundel De vertegenwoordigers) dat zich afspeelt in de toekomst. In het aldaar gerealiseerde paradijs op aarde wordt het pas 'feest', nadat alle oude kwalen zijn teruggekeerd. En met de kwalen keren tevens de kunst en de literatuur terug.

Ook dit is uiteraard ironie; in werkelijkheid liggen de zaken precies omgekeerd. Dat Hotz bereid is de volmaakte toekomst in te ruilen voor de kunst en de literatuur, bewijst slechts hoezeer hij beseft dat volmaaktheid alleen als kunst en literatuur kan bestaan. De overige verhalen demonstreren zijn gelijk, want zonder iets te verdoezelen wordt daarin, dankzij een perfecte 'verwoording', de onvolmaaktheid van elk heden en elk verleden telkens even overwonnen.

    • Arnold Heumakers