Vraaggesprek met topambtenaar Bekker (VWS); 'Zorgsector moet opgeschud'

Voormalig organisatie-adviseur R. Bekker is sinds een paar maanden topambtenaar op het ministerie van Volksgezondheid. Hij trof een nerveus en slecht geïnformeerd departement, gespecialiseerd in 'ad hoc'-beleid.

DEN HAAG, 23 JUNI. “De nervositeit op dit departement is te groot”, zegt R. Bekker, sinds ruim vijf maanden de hoogste ambtenaar op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. “Iedereen schiet, als je hem iets vraagt, in de hoogste versnelling. Het andere werk wordt onmiddellijk terzijde gelegd en er verschijnen nota's die door de top met 'zeer veel spoed' of 'heden' moeten worden afgedaan. Men gunt zich onvoldoende rust om eens met een collega te overleggen of om het onderwerp goed te doordenken. Het gevolg is dat het werkapparaat te weinig kwaliteit levert, bewindslieden niet adequaat bedient en uiteindelijk onvoldoende waar biedt voor het geld dat de belastingbetaler er in steekt.”

Voormalig organisatie-adviseur Bekker - ooit architect van het doorslaggevende advies over de Betuwelijn - kwam als secretaris-generaal naar Volksgezondheid na een voor het departement turbulent jaar. Zijn voorganger H.J.T.M. de Maat-Koolen stapte medio 1997 op na een rapport van Bekkers vroegere werkgever Twijnstra Gudde (zij het van een andere vestiging) waarin harde kritiek werd geleverd op het departement. Demissionair minister Borst (Volksgezondheid) had opdracht gegeven voor deze rapportage naar aanleiding van grote problemen in de thuiszorg. Twijnstra Gudde liet weinig heel van vooral het functioneren van de ambtelijke top. Deze is inmiddels bijna geheel van samenstelling veranderd.

“Wat ik hier op 1 januari aantrof, voldeed voor zeker zo'n tachtig procent aan mijn verwachtingen. Dertien procent was beter en zeven procent ging slechter dan ik verwachtte”, zegt Bekker. “De spirit en de creativiteit in VWS zijn echt groot. Ik ben onder de indruk van veel deskundigheid, ook financiële, die her en der aanwezig is. Die is beter dan bij menig ander departement.” 'Een groot probleem' was volgens hem echter dat dit alles niet voldoende werd geleid en gecoördineerd. “Daar spreek ik de managers hier op aan. Ik geloof dat iedereen dit nu wel begrepen heeft.” Hij vindt het belangrijk zijn mensen op te porren, op te jutten, zelfvertrouwen te geven. “Daar is de leiding voor.”

Een ander probleem dat Bekker aantrof, was de gebrekkige informatievoorziening en de (soms) onbetrouwbare cijfers die uit de sector door vaak belanghebbende partijen worden aangeleverd. “Voor sturing heb je goede informatie nodig. Wat zijn wachtlijsten, hoe moet je die interpreteren. Hoe functioneert het ene ziekenhuis ten opzichte van het andere. Wij beschikken vooral over buitengewoon veel gegevens, ongekend dikke pakken papier. Maar die bieden zelden de informatie die je nodig hebt.” Bekker streeft naar verbetering van de informatievoorziening op het departement. Die verbetering moet zich dan als een olievlek uitbreiden over de sector.

Door de interne problemen is het departement de afgelopen jaren “een beetje bang” geworden om zich te manifesteren tegenover de zorgsector, meent Bekker. Ook biedt het volgens hem niet altijd voldoende tegenspel aan de andere departementen. Als voorbeeld noemt hij de wijze waarop VWS deelnam aan het debat over marktwerking in de publieke sector. “We hebben lange tijd alleen maar achter Economische Zaken aangehobbeld. Vaak staan we er daardoor ook niet helemaal achter.” Ook de uitvoering gaat soms mank. Marktwerking die de thuiszorg goedkoper en flexibeler zou kunnen maken, werd niet goed genoeg doordacht en snel na invoering weer teruggedraaid. “Dat zie je vaker. Het idee wordt omarmd, maar als puntje bij paaltje komt, komen de vertegenwoordigers van de gevestigde belangen in opstand. Marktwerking staat voor mij voor het opschudden van de traditionele patronen. In de zorgsector is daar ook behoefte aan.

“Er is ook sterk, te sterk ad hoc-optreden gestimuleerd. Ad-hoc-beleid is heel dominant in onze sector. Het ambtelijk apparaat volgt. Maar dan krijg je op een gegeven moment een organisatie die heel atomair is, die bestaat uit een heleboel verschillende onderdelen, net zoals het beleid bestaat uit een heleboel verschillende onderdelen - en ontbreekt de samenhang daarin.” De marktwerking in de thuiszorg kan opnieuw als voorbeeld dienen. “We laten ons voortjagen door de enorm stijgende vraag naar beleid. Het gebeurt te vaak dat we beleid op de markt brengen dat bij de eerste de beste beproeving omvalt. Dan blijkt dat er te weinig checks and balances in het apparaat en in de werkprocessen zijn.”

Bekker is voorstander van meer regie en strategie in de zorgsector. Hij signaleert daarbij 'een klein probleem': de sector is een ondoorzichtig web van individuele spelers, koepels, belangengroepen, overheden. Eigenlijk zijn de enige heldere posities die van de patiënt en van de minister, zegt hij. Om dit verbeteren, wil Bekker in hoog tempo 'nieuwe expertise' in huis halen. “We zijn op dit moment bezig vijftien financiële deskundigen aan te trekken. We hebben werk genoeg voor ze. Ik ga de komende tijd gebruik maken van het simpele feit dat we werk genoeg hebben om mensen aan te trekken die er graag hun beste krachten aan wijden. Ik ga niet wachten tot alles gereorganiseerd is.”

Reorganisaties maken Bekker huiverig. “Als je met 'reorganisatie' aan wilt geven dat we dingen anders gaan doen, ben ik ervoor in. Alleen zou ik dat woord liever niet binnen de rijksoverheid gebruiken. Want als je die term hier gebruikt weet je zeker dat je twee jaar lang inderdaad met niets anders bezig bent dan met reorganiseren. Tegen de tijd dat je klaar bent, is het probleem al drie keer voorbij. De problemen in de samenleving wachten echt niet op reorganisatie van de overheid.

“We hebben op dit departement het geld - geld in de vorm van personeel - soms op de verkeerde plekken zitten en er staan bovendien nogal wat schotjes om heen. Ik wil er naar toe dat er niet steeds ingrijpende reorganisaties nodig zijn als functies van inhoud veranderen. Meer mensen dus in algemene dienst, meer mensen die op veel meer plekken inzetbaar zijn wat ze alerter en veelzijdiger maakt. Ik denk je met die situatie ook met een kleiner departement goed uit de voeten zou kunnen komen.”

    • Joke Mat
    • Quirien van Koolwijk