Tbs-geschiedenis herhaalt zich

Justitie overweegt de speciale maatregel van terbeschikkingstelling van psychisch gestoorde delinquenten af te schaffen. Er moet bezuinigd worden. De geschiedenis herhaalt zich, waarschuwt F.E. Frenkel.

Toen ruim een eeuw geleden ons Wetboek van strafrecht tot stand kwam, was er consensus over het feit dat 'krankzinnigen' als 'ontoerekeningsvatbaar' buiten het strafrecht moesten worden gehouden. Men was zich er ook toen al van bewust dat er delinquenten zijn - gevat onder het etiket 'psychopaat' - die weliswaar niet echt krankzinnig zijn, maar dat van een strafrechtelijke bejegening (dat wil zeggen: gevangenisstraf) in hun geval niet zoveel valt te verwachten. Ook heerste de opvatting dat deze delinquenten, die immers 'verminderd toerekeningsvatbaar' waren, de gevangenisstraf eigenlijk niet verdienden.

Toch waren juristen op dit laatste punt verdeeld. De aanhangers van de leer van het determinisme, die vonden dat iedereen causaal bepaald was om te doen wat hij deed, stonden tegenover de apostelen van de vrije wil, die misbruik van de geringste keuzevrijheid al bestraft wilden zien. Als gevolg daarvan gebeurde er in de zes jaren die het kostte om het ontwerp-Wetboek van strafrecht door de parlementaire synode te loodsen, in het geheel niets.

Al ver voor de eeuwwisseling had de praktijk wel in de gaten dat dit een onwerkbaar systeem was. Dus begon minister van Justitie Ort, afkomstig uit de Rooms-Katholieke Staats Partij (RKSP), aan een wetsontwerp waarbij voor psychopaten op aanwijzing van de strafrechter een langs civielrechtelijke weg op te leggen dwangbehandeling geregeld werd. Dit was tegen het zere been van het reformatorische volksdeel, c.q. parlementsdeel. Dit vond dat voorzover althans een verminderd deel van wilsvrijheid in het geding was, allereerst straf diende te volgen.

Er ontstonden discussies over de vraag of het nu wel zo zinnig was om iemand die behandeling behoefde eerst zijn straf te laten ondergaan, of hem na geslaagde behandeling nog weer te onderwerpen aan een straf die allesbehalve tot verbetering leidde. De Eerste Wereldoorlog ging er echter overheen, zodat andere zorgen er toe leidden dat het eerste wetsontwerp uit 1901 tot 1925 bleef liggen. Toen was er in een avant la lettre CDA-coalitie uitgerekend een antirevolutionaire minister van Justitie die ijlings in een herziening van het ontwerp regelde dat psychopaten voor het gedeelte van hun toerekenbaarheid toch eerst straf moesten ondergaan, alvorens voor behandeling ter beschikking van de regering (tbr, thans tbs) te worden gesteld.

De oppositie van socialisten - en toen ook liberalen - was fel tégen, en voor het RKSP-deel van de coalitie hoefde het ook niet zo nodig. Het was immers in strijd met hun eigen ontwerp van 1901. Maar het was hun geen kabinetscrisis waard. Zo kwamen de psychopatenwetten pas in 1928 tot stand.

Korte tijd daarna viel het kabinet echter op de elementaire kwestie van een gezantschap bij de Paus. De psychopatenwetten waren inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd en daaraan kon dus niet meer worden getornd. Dat was inclusief de verplichte straf, tegen een ideologische meerderheid van de Kamer in. Van behandeling van de wet kwam intussen weinig terecht omdat de crisis uitbarstte en er bezuinigd moest worden.

Met deze 'stopwet' werd de tbr zo'n beetje de plaatsvervanger van een nadere wet, die in 1929 werd aangenomen over de 'bewaring' van beroeps- en gewoontemisdadigers, maar die nooit werd ingevoerd. Deze wet voorzag erin dat deze speciale categorie recidivisten ook na afloop van hun straf opgesloten konden blijven. Ook bij deze wet, die nadrukkelijk was gebaseerd op de veiligheid van de samenleving, werd de maatregel wel opgelegd door de rechter maar lag de beëindiging in handen van de minister van Justitie. Met dit laatste was lang niet iedereen het eens. Dat zou zich later nog wreken.

Al met al duurde het zowat tot de jaren vijftig voordat er serieus begonnen kon worden met de behandeling van psychisch gestoorde delinquenten. De onzinnige eis van eerst straf, terwijl een onmiddellijk begin van de behandeling natuurlijk geboden was, kon met enige souplesse in allerlei uitvoeringsregels van de administratie worden ondervangen. Maar in de jaren vijftig en zestig bleek dat er problemen genoeg overbleven.

Ten eerste was er het 'passanten'-probleem: er was geen ruimte (lees: geld) om gestoorde delinquenten na het uitzitten van hun straf direct in behandeling te nemen, zodat zij maar onrechtmatig in huizen van bewaring en gevangenissen bleven hangen.

In de tweede plaats bestond er het reeds genoemde punt dat weliswaar een rechter de maatregel oplegde, maar dat de beëindiging ervan aan zijn controle was onttrokken. Dat ging men opvatten als zou een gerechtelijke uitspraak door de administratie worden doorkruist. Dit laatste leidde er in 1957 zelfs toe dat nota bene de Hoge Raad een arrest van een gerechtshof bekrachtigde waarbij dit hof een delinquent, van wie het expliciet had vastgesteld dat deze psychisch gestoord was, zonder tbr veroordeelde tot een lange gevangenisstraf. Het argument was dat de veiligheid van de samenleving dit vereiste. Het hof achtte zich over deze kwestie blijkbaar meer bevoegd dan psychiater en minister.

En nu zijn wij dan zowat een eeuw verder dan het eerste, zinnige wetsontwerp van minister Ort. Met wisselend succes - zeker geen garantie, maar wel 'werkenderwijs' door ervaring verbeterend - wordt er gewerkt aan en met delinquenten die onder de psychopatenwetten vallen. Desalniettemin is er - net als in de jaren vijftig en zestig - een passantenprobleem. En net als in de jaren dertig moet er maar weer bezuinigd worden. De jaren dertig zijn kennelijk dichterbij dan we vaak denken. Het zijn wrange parallellen.

    • F.E. Frenkel