Ondernemerschap van immigranten in Nederland; Het is allemaal niet zo treurig

Vandaag verschijnt 'Rijp en groen', een boek van J. Rath en R. Kloosterman over wat tot nu toe 'etnisch ondernemen' is genoemd en meestal als een zorgelijke bezigheid wordt afgeschilderd. Rath en Kloosterman bezien dat anders.

Rijp en groen, het zelfstandig ondernemerschap van immigranten in Nederland. Redactie Jan Rath en Robert Kloosterman. Uitgeverij Het Spinhuis, ISBN 90 5589 108 8, ƒ 40,-

e-mail.spinhuis@pscw.uva.nl

Dr. Jan Rath en dr. Robert Kloosterman, senior researchers aan de Universiteit van Amsterdam en de Technische Universiteit Delft, bundelden nieuw onderzoek naar migranten die ondernemer werden. Geen zielige verhalen over tegenwerking en uitsluiting, geen folklore over die gezellige allochtone bakker. In dit boek is een ondernemer in de eerste plaats een ondernemer en pas lang daarna Turk, of Marokkaan, of Chinees.

Rath: “Het pittoreske dat je vaak in dit soort onderzoek ziet, dat is er heel moeilijk uit te krijgen. Onderzoekers gaan vaak raar doen als het over migranten gaat. Zonder nadenken gooien ze alles op de cultuur.”

Kloosterman: “Komt door hun achtergrond. Het zijn meestal antropologen die dit soort onderzoek doen.”

Rath: “Ho! Ik ben antropoloog.”

Kloosterman (historicus): “Je hoort het migranten zelf ook zeggen, hè: het is die koeltoer, het is die koeltoer.”

Rath: “Ik kende een Spanjaard, die riep dan altijd: flauwekoel, flauwekoel. Die wilde helemáál niet horen van culturele verschillen.”

Kloosterman: “Onderzoekers waren decennialang alleen maar gericht op de etniciteit van migranten die ondernemer zijn geworden. En het is ook wel wáár dat etniciteit een rol speelt. Maar ze gingen er rustig aan voorbij dat er ook een markt is en dat die groeit of krimpt en dat dat een veel grotere invloed heeft op die ondernemers.”

Rath: “Neem familiearbeid. Kijk eens, zeggen onderzoekers dan, migranten maken gebruik van hun familie als ze een onderneming opzetten en dat komt door hun etnische achtergrond. Wij zeggen: het zou wel verdomd toevallig zijn dat al die mensen uit Noord-Afrika en Zuid-Amerika en Italië en Turkije, met al die verschillende godsdiensten en weet ik wat, allemaal op dat ene punt hetzelfde zouden zijn en daarin allemaal zouden verschillen van Nederlanders. Onzin. Familiearbeid is gewoon een kenmerk van het kleinbedrijf.”

Kloosterman: “Wij houden een pleidooi om ondernemerschap van migranten vanuit de economie te bestuderen.

Waarom hebben economen dat nog nooit gedaan? Waarom kijken alleen antropologen en sociologen naar migranten?

Kloosterman: “Economie is een heel merkwaardige wetenschap, ze kan bijvoorbeeld niet verklaren waarom mensen ondernemer worden. Er is één dominante benadering, de neoklassieke. Die gaat ervan uit dat ondernemerschap er ìs, het is een gegeven. Economen zeggen: er is vraag en aanbod en daardoor zijn er kansen. Maar mensen kunnen ook kansen creëren.”

Rath: “Economen maken gebruik van methoden en technieken waardoor alles wat niet in de mainstream valt buiten beschouwing blijft. Wat er buiten valt vinden ze al snel te ingewikkeld. Ik zeg weleens: economen kijken teveel naar hun computerscherm en te weinig uit het raam. Maar die heb ik van iemand gepikt hoor.”

Kloosterman: “Ja, van mij. Ik had een keer verschrikkelijke ruzie met een paar economen, het ging erover dat zij zeiden dat er veel minder banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt waren bijgekomen dan uit onderzoek van mij bleek. Ik kwam erachter dat ze waren vergeten vrouwen mee te tellen en toen zei ik dat: jullie kijken nooit naar buiten.”

Rath: “De gedachte dat je zelf de straat op gaat en zelf dingen aan mensen vraagt is hun volkomen vreemd.”

Wat maakt dat migranten ondernemer worden?

Kloosterman: “Daar kun je niet één verklaring voor geven. Maar heel belangrijk is dat je alle verklaringen plaatst in het perspectief dat de laatste tien jaar weer nieuwe kansen zijn ontstaan voor kleine ondernemingen. Rond het midden van deze eeuw werd gedacht dat het kleinbedrijf een fossiel zou worden, de grote ondernemingen zouden alles overnemen. Maar in de jaren zeventig kwam er een omslag, het eerst in de Verenigde Staten. Opeens begon het aantal kleine ondernemingen weer heel sterk te groeien. En veel van die ondernemingen waren van migranten.”

Groeide het kleinbedrijf zo doordat veel migranten voor zichzelf begonnen? Of groeide het door andere oorzaken en maakten migranten er gebruik van.

Kloosterman: “Allebei. Kleine ondernemingen in informatietechnologie kregen kansen omdat bleek dat grote ondernemingen het tempo van innovatie niet konden bijhouden. Dat zijn de Microsofts. Voor migranten ontstonden vooral kansen doordat er door migratie nieuwe markten bijkomen.”

Rath: “Migranten zijn bereid om te investeren in markten waar autochtonen hun neus voor ophalen. Kijk naar de kleine buurtsupermarkten in de oude wijken. Nederlanders doen dat niet meer, ze houden ermee op. Marokkanen en Turken doen het wel. Ze kunnen er nauwelijks van rondkomen, maar ze doen het. Je kunt zeggen: ze moeten wel. Maar wat dan nog? Oude wijken worden vaak voorgesteld als poelen van ellende vol werkloosheid en criminaliteit...”

Kloosterman: “En dat is óók zo.”

Rath: “Jaja, dat is zo. Maar je ziet ook een geweldige ondernemersdynamiek. Overal zie je bedrijfjes ontstaan. Er sneuvelen er wel veel, maar er komen ook steeds weer nieuwe bij.”

Kloosterman: “Ga eens kijken op de Binnenweg in Rotterdam, op de Kruiskade - allemachtig.”

Rath: “Het Rotterdams Dagblad schreef van die wedstrijden uit, waar je de lekkerste koffie kunt kopen, waar de lekkerste haring. De winnaars van het afgelopen jaar waren een Italiaanse ijssalon en een Marokkaanse visboer.”

Kloosterman: “Tussen die ondernemers zitten de Gerzons en de Brenninkmeijers en de Vroom en Dreesmannen van de volgende eeuw. Je wéét het gewoon, ze zijn al onder ons.”

En ook de nieuwe Bill Gates?

Kloosterman: “Nou, niet in Nederland. Stel je bent hoog opgeleid en je komt uit India of China of Pakistan, begin je dan een softwarebedrijf in Nederland? Dan ga je naar Californië. Daar zit je meteen in een netwerk.”

Rath: “In Nederland zie je nieuwe textielbedrijfjes komen die worden geleid door Pakistani en Indiërs en dat komt doordat ze ook al in Engeland zitten.”

Maar waarom kon Microsoft dertig jaar geleden wel in de Verenigde Staten ontstaan en niet in Nederland?

Kloosterman: “Een van de verklaringen moet wel zijn dat daar al heel lang een ondernemerscultuur was en hier niet. Het begint hier wel te komen, moet je kijken hoe het aantal kleine bedrijven toeneemt.”

Rath: “En de waardering ervoor.”

Kloosterman: “Je krijgt niet meer zo'n enorm stigma als je een keer failliet gaat.”

Rath: “Of erger, als je winst maakt.”

Kloosterman: “Er is ook veel meer venture capital beschikbaar. Dat zou voor migranten in bepaalde segmenten heel goed kunnen uitpakken.”

Rath: “Jammer alleen dat de meeste migranten geen toegang hebben tot de kapitaalmarkt.”

Kloosterman: “Dat begint ook te veranderen! ABN Amro heeft een Turks loket en de Rabobank ook. Het gaat ze natuurlijk om de winst, maar ik verdenk ze ook van een zekere mate van ethiek.”

Waarom breken nog zo weinig Marokkaanse en Turkse ondernemers echt door?

Kloosterman: “In het lijstje van de vijfhonderd rijkste mensen van Nederland, dat Quote een keer afdrukte waren Ruud Gullit en Frank Rijkaard geloof ik de enige niet-witten. Het hadden er bij een goede weerspiegeling van het aantal migranten vijfendertig moeten zijn.”

Rath: “En Gullit is tweede generatie, uit een gemengd huwelijk.”

Kloosterman: “Om te kunnen doorbreken heb je kennis nodig en een netwerk van mensen die je kent en kunt vertrouwen.”

Rath: “Marokkanen en Turken zijn destijds geselecteerd op hun lage scholing en hun dociliteit. Werkgevers zochten mensen die ze gemakkelijk onder de duim konden houden.”

Kloosterman: “Je moet het ook de tijd geven. Nieuwe migranten hebben niet binnen één generatie al hun plaats gevonden.

Rath: “In Nederland denken we dat we dat allemaal kunnen sturen en afdwingen. We denken dat we als we de mensen maar hun godsdienst afpakken en dwingen te integreren dat het wel goed komt. Maar kijk naar families als Vroom en Dreesmann.”

Kloosterman: “De Rosenmöllers!”

Rath: “Allemaal streng katholieke families uit Westfalen die in het protestantse Nederland hun godsdienst bewaarden en hun familiebanden koesterden en die binnen een paar generaties enorm succesvol werden.”

Maar wat bepaalde dan precies hun succes?

Rath: “Een sterke onderlinge loyaliteit en het feit dat zich kansen voordeden, nieuwe vormen van bedrijvigheid.”

Kloosterman: “Kansen die door de gevestigde orde niet werden waargenomen. In de negentiende eeuw heerste er onder ondernemers een jansaliegeest. Die jansaliegeest zag je ook bij de Nederlandse snackbars in de oude buurten. De eigenaars pasten hun waren niet aan aan de smaak van hun veranderende publiek. En wat zag je? Migranten grepen de kans, namen de snackbars over en gingen patat en kebab verkopen.”

Rath: “Veel Nederlandse snackbars hielden er ook mee op door de verruiming van de winkeltijdenwet. Ze kregen het steeds moeilijker tegenover de supermarkten. De mensen die er nu in springen zijn bereid om met minder genoegen te nemen.”

Maar wat weerhoudt ze om bedrijven te beginnen waarmee hun kansen op succes groter zijn?

Rath: “De manier waarop en de voorwaarden waaronder een groep zich hier vestigt bepaalt sterk hun oriëntatie. Andere markten bieden misschien wel meer mogelijkheden, maar die stellen ook andere eisen aan een ondernemer. Een patatzaak beginnen is niet hetzelfde als een kapsalon beginnen. Je hebt met regelingen en wetten te maken en met afspraken van de bedrijfstakken en dat is vaak maar goed ook, want ik wil graag zeker weten dat ik bij de slager een hygiënisch stukje vlees koop en dat de taxichauffeur geen beunhaas is.”

Kloosterman: “Taxichauffeurs weten zich tot nu toe trouwens heel goed af te sluiten tegen nieuwkomers. Als er niet zoveel barrières werden opgeworpen zouden alle taxi's allang worden bestuurd door migranten en dat weten de Nederlandse taxichauffeurs ook. Marokkanen en Turken die hier als gastarbeider zijn gekomen hebben nu nog de meeste kansen op markten waar de drempels laag zijn en de concurrentie dus hard is.”

Rath: “En waar weinig kapitaal vereist is en de winsten beperkt zijn.”

Kloosterman: “Zo zijn de Napolitaanse pizzabakkers in de Verenigde Staten ook begonnen, maar ze hebben heel Amerika en daarna heel Europa aan de pizza weten te krijgen.”

Rath: “De markt verbreden, dat moeten Marokkanen en Turken doen. Sjieke restaurants beginnen, niet alleen maar snackbars. In Amsterdam, waar de mogelijkheden om geld te verdienen in de horeca veel groter zijn dan in de rest van Nederland.”

Kloosterman: “In de zwarte getto's van Amerika, honderd jaar geleden, waren het de joden die kruidenierszaakjes begonnen. Hun kinderen gingen naar Harvard, ze namen de zaken van hun vaders niet over. Er kwamen Koreanen in en hun kinderen gingen medicijnen studeren en nu zie je dat al dat soort zaakjes worden overgenomen door Palestijnen of Dominicanen of Gualtemalteken. Ik bedoel: je moet ervoor zorgen dat je dat soort openingen hebt aan de onderkant van de arbeidsmarkt.”

Rath: “Het is niet handig geweest dat in Nederland dat soort banen als dood hout zijn weggesneden.”

Kloosterman: “Die banen zijn een roltrap naar boven.”