NEW YORK REVIEW OF BOOKS

Sinds 1982 is de prijs van aandelen meer dan vernegenvoudigd. Tussen 1982 en 1990 steeg de Dow-Jones-index van 1.000 tot net iets meer dan 2.000 punten. Daarna bereikte de index in april van dit jaar de 9.000 punten. De jaren sinds 1990 staan nu al te boek als de langste economische bloeiperiode in de geschiedenis.

In de New York Review of Books bespreekt Roger E. Alcaly de vraag wat we moeten denken van het verschijnsel dat de prijzen van de aandelen blijven stijgen. De auteur is directeur-eigenaar van een beleggingsadvies-onderneming en doceerde tot voor kort economie aan de Columbia University.

Tot dusverre zijn de beleggers beloond voor hun vertrouwen dat de winsten blijven groeien. Maar wat gebeurt er als hun verwachtingen niet meer uitkomen en als ze uit teleurstelling daarover hun aandelen van de hand doen? De auteur wijst er op dat die vraag in de Verenigde Staten belangrijker is dan ooit, omdat de Amerikanen 28 procent van hun bezit in aandelen hebben belegd. Dat was nog maar 13 procent toen de aandelenmarkten in 1987 instortten. Dat was de reden waarom die krach weinig invloed had op de economie.

De historische ervaring heeft geleerd dat het beleggen in bedrijven op zichzelf een verstandige manier van investeren is. Een dollar die in 1802 in een onderneming is geïnvesteerd zou in 1997 zijn uitgegroeid tot een bedrag van 559.000 dollar in 1997, na aftrek van inflatie à raison van zeven cent per dollar. Staatsobligaties zouden in diezelfde periode slechts zijn gegroeid tot 803 dollar. Hoe verstandig het ook is om te investeren in bedrijven op de lange temijn, het grootste probleem is dat het zo moeilijk is om veranderingen op de korte termijn te voorspellen. In de jaren tachtig bijvoorbeeld bedroeg de gemiddelde winst op aandelen 12,5 procent. Maar als je daar de tien dagen met de hoogste winst aftrekt daalt het gemiddelde naar 7,5 procent, gelijk aan dat van de staatsobligaties.

Ook wijst de ervaring uit dat het mogelijk is om zo te beleggen in bedrijfsaandelen dat je meer winst maakt dan gemiddeld op de markt, zonder meer dan een gemiddeld risico te lopen. Dat kan door goed na te gaan wat bedrijven echt waard zijn. Deze methode van 'value investing' is in de jaren dertig bedacht door Benjamin Graham. Zijn leerling Warren Buffett brengt de theorie in praktijk, met groot succes. Wie samen met hem in 1956 10.000 dollar had geïnvesteerd zou nu 200 miljoen dollar hebben. Dat is een winst van 27 procent per jaar, meer dan het dubbele van het marktgemiddelde.

Buffett beschrijft zijn manier van werken als een speurtocht naar het verschil tussen de waarde van een onderneming en de prijs van enkele bedrijfsonderdelen. Een ander uitgangspunt is dat hij een flinke veiligheidsmarge inbouwt: “Je koopt geen bedrijf voor 80 miljoen dollar als het 83 miljoen waard is. Het gebruik van die veiligheidsklep is volgens hem het verschil tussen beleggen en speculeren.

Toch, schrijft de auteur, blijft iemand als Buffett een uitzondering, want bijna alle deskundigen gaan er blindelings van uit dat de markt volledig efficiënt werkt. Zo meent de econoom Burton Malkiel van Princeton University dat de miljoenen beslissingen van beleggers de aandelenprijzen precies weergeven, maar ze ook helemaal onvoorspelbaar maken. Een chimpansee die geblindoekt darts gooit naar pagina's van de Wall Street Journal kan volgens hem een aandelenpor- tefeuille samenstellen die even goed werkt als die van de aandelenexperts.

De auteur zelf onderschrijft de ideeën van Benjamin Graham en Warren Buffett en beroept zich daarbij op recent onderzoek, onder andere van James O'Shaughnessy. Deze onderzocht 52 beleggingsstrate- gieën, toegepast in de periode van 1951 tot 1996. Daaruit bleek dat aandelen in grote bekende ondernemingen het vier keer zo goed deden als het gemiddelde aandeel. Ook vond hij dat investeren in ondergewaardeerde ondernemingen niet riskanter is dan in ondernemingen die favoriet zijn op Wall Street. Deze conclusie ondermijnt het gangbare idee dat je in de markt alleen maar kunt aftroeven door veel risico's te nemen. De auteur voorspelt dat beleggers in beurslievelingen het meest te lijden zullen hebben als het economische tij keert.

De New York Review of Books verschijnt elke twee weken en is verkrijgbaar in de kiosk.

    • Herman Frijlink