Kroniek Spaanse schandalen nog niet afgesloten

Affaires leken tot voor kort voorbehouden aan de Spaanse socialistische partij van ex-premier González. Maar sinds kort borrelen de schandalen ook op in de Partido Popular van premier Aznar.

MADRID, 23 JUNI. Een onderzoeksrechter geschorst wegens misbruik van zijn functie, een regiopresident de partij uitgezet wegens ongehoorzaamheid en een vice-premier die bij dat alles onder vuur ligt. Terwijl de socialistische oppositie al weken lang moet toezien hoe haar voormalige bewindslieden in het verdachtenbankje zitten op verdenking van het organiseren van doodseskaders, kampt de Partido Popular van premier Aznar in toenemende mate met opborrelende schandalen.

Vice-premier Francisco Álvarez Cascos, bekend als politieke houwdegen van de regeringspartij, trad gisteren aan als getuige in het proces rond de doodseskaders die in de jaren tachtig werden ingezet tegen veronderstelde terroristen van de Baskische afscheidingsbeweging ETA. De vice-premier benutte zijn optreden om andermaal de politieke verantwoordelijkheid voor de doodseskaders in de schoenen van de voormalige premier Felipe González te schuiven.

Minder duidelijkheid verschafte Cascos over de beschuldiging dat hij het met twee belangrijke getuigen in het doodseskaders-proces op een akkoordje zou hebben gegooid: in ruil voor belastende verklaringen dat de politieke top van de socialisten rechtstreeks bij de doodseskaders was betrokken zouden de twee agenten - die zelf eveneens terechtstaan wegens hun betrokkenheid daarbij - op strafvermindering kunnen rekenen onder de nieuwe regering van de Partido Popular.

Na eerder verontwaardigd te hebben verklaard dat hij nooit enig contact had gehad met de betrokken agenten, erkende Cascos gisteren voor de rechter dat hij inderdaad met de advocaat van beiden had gesproken op een bijeenkomst die plaats had onder toezicht van Pedro J. Ramirez, de hoofdredacteur van het dagblad El Mundo en manisch tegenstander van Felipe González. Dat er een handeltje had plaatsgehad ontkende de vice-premier. Hij had als parlementariër slechts informatie verzameld over het reilen en zeilen van de socialistische bewindslieden en aldus voldaan aan zijn verplichting van 'parlementaire controle'.

Álvarez Cascos, die gisteren door tegenstanders bij de rechtbank andermaal werd vergeleken met een vechthond van het doberman-ras, wordt verweten als geen ander verantwoordelijk te zijn voor de autoritaire tics die bij tijd en wijle het kabinet-Aznar teisteren. Dat beeld is er de afgelopen week niet minder op geworden door een pijnlijke machtsstrijd in de regio Asturias, de thuisbasis van Cascos. Regiopresident Sergio Marqués is inmiddels uit de Partido Popular gezet, maar weigert zijn ambt neer te leggen. De enige manier om de voormalige partijbons van zijn plaats te wippen lijkt het indienen van een motie van wantrouwen, maar daarvoor is de steun van de oppositie noodzakelijk.

Hoewel de ruzie tussen Cascos en Marqués - ooit boezemvrienden - in de volle openbaarheid werd uitgevochten, is weinig bekend over de achtergronden. De verhouding tussen beiden schijnt vooral geleden te hebben onder het tweede huwelijk van Cascos met een veel jongere vrouw. Naar verluidt is mevrouw Marqués een hartsvriendin van de eerste mevrouw Cascos. De Marquésjes ontbraken dan ook op de huwelijksplechtigheid van de vice-premier.

Geen middel bleef onbenut. Regiopresident Marqués, thans ongebonden politicus, heeft inmiddels bij wijze van wraak een parlementair onderzoek gelast naar financieel geknoei van zijn vroegere partijgenoten. En terwijl de in ongenade gevallen regiopresident heeft aangekondigd dat hij er niet aan denkt om op te stappen, begint de volstrekte afzijdigheid van premier Aznar in de kwestie pijnlijk op te vallen.

Voor de socialistische oppositie is de ruzie in Asturias een uitstekende gelegenheid om de aanval in te zetten op Cascos. De vice-premier wordt in socialistische kring beschouwd als een van de sleutelfiguren die samen met journalisten en zakenlieden een complot zou hebben gesmeed om voormalig premier Felipe González ten val te brengen.

De oppositie was haar plezier eind vorige week dan ook nauwelijks de baas na de officiële schorsing van onderzoeksrechter Javier Goméz de Liaño, die er eveneens van wordt verdacht te behoren tot de groep samenzweerders. Goméz de Liaño verraste vriend en vijand door vorig jaar het complete bestuur en de raad van toezicht van het machtige uitgeversconcern Prisa te dagen wegens financieel geknoei bij de betaaltelevisie Canal+. De uiterst dubieuze aanklacht was ingediend door de extreem-conservatieve journalist Jaime Campmany, onder Franco hoofdredacteur van het falangistische tijdschrift Arriba, thans commentator van het dagblad Abc.

De draconische maatregelen die Goméz de Liaño nam - bestuursvoorzitter Jesús de Polanco van Prisa mocht het land niet verlaten en kon slechts door het deponeren van een imposante borgsom een verblijf in het gevang voorkomen - geldt voor de socialisten als het bewijs dat er sprake was van een door de regering gecoördineerde poging om Prisa de nek te breken. Het concern, uitgever van het dagblad El País en eigenaar van de betaaltelevisie Canal+, heeft zijn sympathie voor de socialisten nooit onder stoelen of banken gestoken. En in de felle strijd rond de controle over de media, de nieuwe betaaltelevisie en de miljardencontracten voor de voetbalrechten kon de regering wel een stok gebruiken om Prisa in het gareel te dwingen.

Dat laatste dreigt inmiddels evenwel in het tegendeel te verkeren. Nadat de rechter vorige week de strafklacht tegen Prisa als volstrekt ongegrond naar de prullenbak verwees, opende de Spaanse Hoge Raad een onderzoek naar een mogelijk misbruik van zijn ambt tegen de Gómez de Liaño in de Prisa-zaak. De onderzoeksrechter, inmiddels uit zijn ambt ontzet, wordt gesteund door de van regeringszijde benoemde Staatsaanklager Jesús Cardenal, waarmee de kwestie verder aan politieke gewicht wint.

Vice-premier Cascos, doorgaans nooit te beroerd om de rechterlijke macht op haar vingers te tikken, liet weten dat het kabinet geen mening over de kwestie heeft. Maar het lijdt geen twijfel dat binnenskamers de rechterlijke verwikkelingen met zorg worden tegemoetgezien. Niet in de laatste plaats omdat het tumult er eind vorige week niet minder op met het strafrechtelijk onderzoek naar de PP-senator Francisco Tomey, een van de lokale zwaargewichten van de regeringspartij. Tomey wordt beschuldigd van het knoeien met administraties voor een bedrag van bijna vijftig miljoen gulden. De plechtige verzekering van premier Aznar dat met zijn aantreden de kroniek van de schandalen is dichtgeslagen lijkt vooralsnog wat voorbarig.