Kosovo Bevrijdingsleger zet Rugova onder druk

Binnen de Albanese gemeenschap in Kosovo heeft een strijd om de macht plaats. De pacifist Ibrahim Rugova heeft veel invloed verloren. Het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) eist nu het alleenrecht op de vertegenwoordiging van de Albanezen op en dreigt zelfs met “broederstrijd”.

ROTTERDAM, 23 JUNI. Tien jaar lang is binnen de Albanese gemeenschap in Kosovo de positie van Ibrahim Rugova, de literatuurcriticus die de Democratische Liga van Kosovo (LDK) stichtte en 'president' werd van de zelfuitgeroepen 'Republiek Kosovo', zo goed als onaantastbaar geweest. De genadeloze Servische onderdrukking mocht het geduld van de Albanezen op de proef stellen, maar al die jaren slaagde Rugova erin zijn achterban rustig te houden met verwijzing naar het drama in Bosnië: als de Albanezen zouden opstaan tegen de Serviërs, aldus Rugova's boodschap, zou Kosovo een bloedbad wachten dat dat in Bosnië zou overtreffen. In plaats daarvan zouden de Albanezen in burgerlijke ongehoorzaamheid hun eigen ondergrondse 'Republiek Kosovo' moeten uitbouwen.

Het werkte lang. Het werkte zelfs toen een groep radicalen, ontevreden over het geweldloos verzet van de Albanezen, twee jaar geleden met het pacifisme van Rugova en de LDK braken en het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) oprichtten. Ze voerden aan dat jarenlang pacifisme niets had opgeleverd en het Servische regime niet tot de allerkleinste concessie had bewogen. De UÇK vermoordde tot begin dit jaar een dertigtal Serviërs en Albanese collaborateurs. Maar tot voor kort bleef het Bevrijdingsleger een clubje radicalen waarvan maar weinigen notie namen.

Dat veranderde in februari, toen het Servische regime besloot het guerrillaleger onschadelijk te maken. Het grote militaire offensief leidde tot taferelen die aan het drama in Bosnië deden denken: kapotgeschoten en platgebrande dorpen, driehonderd doden, een etnische zuivering en tienduizenden vluchtelingen.

Het offensief leidde tot meer: het brak de ban en radicaliseerde op slag de Albanese gemeenschap. Opeens was het gebeurd met het pacifisme. De UÇK veranderde binnen weken van een irrelevant groepje van een paar honderd guerrilleros tot een strijdmacht van vele duizenden en misschien wel tienduizenden vrijwilligers. Naar eigen zeggen beschikt de UÇK nu over dertigduizend bewapende strijders. Dat is misschien overdreven, en het guerrillaleger is ook geen coherent leger. Maar duidelijk is wel dat niemand meer om de UÇK heen kan.

Het werpt twee belangrijke vragen op: wie vertegenwoordigt de Albanese gemeenschap in Kosovo, Rugova of de UÇK? En: wie controleert eigenlijk de UÇK?

Niet alleen bij de bevolking is de UÇK populair. Ook politieke kringen zijn de afgelopen weken drastisch geradicaliseerd. Bujar Bukoshi, de 'premier' in ballingschap van de door Rugova geleide 'Republiek Kosovo', kon in april nog schamperen dat de UÇK “slechts een paar boswachters” had vermoord en “niet de minste steun” had gegeven aan de inwoners van dorpen die in februari door de Serviërs waren stukgeschoten. Diezelfde Bukoshi denkt inmiddels heel anders over zowel het Bevrijdingsleger als het pacifisme. Vorige week riep hij na een gesprek met afgevaardigden van vijf politieke partijen van de Kosovaren in Tirana op tot de vorming van 'zelfverdigingsbrigades' in de dorpen van Kosovo met het doel de Serviërs - met geweld - te bestrijden. De LDK zweeg het initiatief dood.

Rugova zei eind vorige week dat de UÇK “onder politieke controle” moet worden gebracht. “De UÇK bestaat in wezen uit gewone burgers die hun woningen verdedigen. We moeten die groepen onder controle brengen.” Maar het ziet er niet naar uit dat, als er al sprake is van politieke controle, die bij Rugova komt te liggen.

Niet alleen is Rugova's pacifisme in diskrediet gebracht door het geweld van de laatste maanden. De leider van de Kosovo-Albanezen heeft ook een zeer cruciale fout gemaakt door zich door Richard Holbrooke tijdens diens recente missie naar Joegoslavië te laten overhalen tot een direct gesprek met de Joegoslavische leider Miloševic. Dat gesprek had een volstrekt verkeerde signaalwerking. Televisiebeelden toonden Rugova handenschuddend - lachend zelfs - met de architect van de Servische onderdrukking. Bovendien bereikte Rugova tijdens het gesprek niets. Hij en Miloševic spraken af dat op lager niveau wekelijks zou worden gepraat. De eis van internationale bemiddeling bij zo'n dialoog, die de Albanezen tot dan toe als voorwaarde hadden gesteld, was opeens geheel van tafel verdwenen. Het wekelijkse overleg leverde bovendien niets op: na één ronde lieten de Albanezen het afweten met het argument dat het absurd is te praten terwijl de Serviërs dorpen platgooien en duizenden mensen op de vlucht drijven.

Het gesprek met Miloševic heeft Rugova een groot deel van zijn toch al beschadigde prestige gekost. Kort na het gesprek werd hij als nooit tevoren gehekeld op een besloten bijeenkomst van de LDK-leiding. Diverse LDK-kopstukken braken met Rugova, onder wie Jakup Krasniqi, die vorige week opeens woordvoerder van de UÇK bleek te zijn geworden.

Krasniqi heeft banden met ontevreden LDK'ers die inmiddels zijn gaan werken aan een 'Nieuwe LDK', die zich, los van Rugova's LDK, op termijn wellicht zal ontwikkelen tot een politieke arm van de UÇK.

Het eerste en grootste probleem van die 'Nieuwe LDK' is een leider te vinden die de zaak van de nieuwe partij en van de UÇK in het Westen kan uitleggen. Dat is niet eenvoudig, want het Westen moet van de UÇK niets hebben: Westerse politici plegen oproepen aan Miloševic om het geweld te staken te koppelen aan oproepen aan de UÇK om dat eveneens te doen. Voor geweld van Albanese kant bestaat hoegenaamd geen begrip.

Krasniqi en Bukoshi zijn volgens sommige bronnen als potentiële leiders van de 'Nieuwe LDK' afgewezen; men zou nu denken aan Adem Demaçi, de 'Mandela van Kosovo', die 28 jaar in Joegoslavische gevangenissen heeft gezeten, nu een politieke partij leidt en een stuk radicaler is dan Rugova.

Doet Rugova - vergeefs - pogingen de UÇK onder zijn controle te krijgen, de UÇK probeert het omgekeerde. De UÇK-leiding riep zondag in een verklaring “de politieke krachten” onder de Kosovo-Albanezen op “zich in dienst te stellen van de bevrijdingsstrijd”. De verklaring liet zich lezen als een oorlogsverklaring aan Rugova, wiens beleid werd omschreven als “een politiek van bedrog”, en ging vergezeld van openlijke dreigementen met wapengeweld: “Als deze oproep niet wordt opgevolgd, kan dat leiden tot anarchie en broederstrijd. Elke manoeuvre die de belangen van het land en het doel van de bevrijdingsstrijd bedreigt wordt gestraft met de grootste strengheid.”

    • Peter Michielsen