Het gymnasium als voedingsbron voor de verwondering

Bij het overdenken van de vraag wat de meerwaarde is van het gymnasium, wil ik niet in de eerste plaats wijzen op de praktische voordelen van kleinere klassen of de grotere aandacht die een leraar aan een individuele leerling kan besteden. Ik geef er de voorkeur aan de stelling te verdedigen dat het gymnasium krachtens zijn wezen een grotere vormende waarde voor die individuele leerling kan hebben. De kwalificatie 'elitair' zou hierbij echter een onaangename bijklank hebben. Want wie bepaalt of wij tot een uitgelezen groep behoren?

Mensen van diverse levensbeschouwelijke richtingen hebben altijd al de behoefte gehad iets goed te doen en geen half werk te leveren. Zij streven naar een zekere volmaaktheid uit een soort aangeboren neiging tot enig perfectionisme.

Maar lang niet iedereen voelt die behoefte even sterk. En zo kom ik tot een nadere omschrijving van het begrip elite. Een elite bestaat uit mensen, die weten dat - om boven het niveau van fantasie en verbeelding uit te kunnen stijgen - er gewerkt moet worden, dat zij moeten blijven hopen en volharden, gedragen door een sterk geloof. Zo is het mogelijk een stapje dichterbij de idee van Plato's absolute Goede te komen.

Tot die idee zouden we ook nog kunnen rekenen de norm voor gerechtigheid, waarheid, schoonheid en wijsheid, in zowel de intermenselijke betrekkingen als in wetenschap, kunst en wijsbegeerte. Latere christelijke denkers hebben daar nog trouw, vriendschap en liefde aan toegevoegd.

Zij die deze roepstem volgden, behoorden tot een bij uitstek elitaire groep. Gedragen als zij werden door een persoonlijk geloof, dat slechts individueel beleefd kon worden en waaruit zij kracht putten. Alleen al daarom is die beleving niet gebonden aan een bepaald schooltype.

Overigens, wie durven daar - welk schooltype het ook moge zijn - de stem van hun hart, ziel, geweten of van God te volgen. En nee te zeggen als alle anderen ja zeggen, respectievelijk ja te zeggen als alle anderen nee zeggen? Dat vereist zedelijke moed. Ook die eigenschap zou ik mijn elitaire groep willen toedenken.

Tenslotte wil ik nog iets zeggen over 'verwondering' als facet van het elitaire. Als we terugdenken aan de extatische beleving van die verwondering in onze prille kinderjaren, dan behoeft het ons niet te verbazen dat in de loop van ons leven die extase wat terugloopt.

Zou het veel helpen als we haar angstvallig trachten te bewaken en bewaren? Nee natuurlijk. Maar wij moeten zuinig zijn op dat wat we nog aan verwondering kunnen opbrengen.

Wij moeten ons in deze no-nonsense tijd toch vooral niet laten reduceren en denatureren tot alleen maar nuchtere kijk- en rekenwezens en ons hoeden voor ijskoude realiteitszin.

Voor iedere school zou het tot in lengte van dagen zo moeten zijn dat leraren hun leerlingen meenemen tot ver voorbij de poorten van het ongeziene. In die sfeer blijf je je vragen stellen over de wonderlijke gave en aard van het leven.

Ik wil besluiten met een wens, zo u wilt een soort zegenbede. Moge de weetgierigheid, gevoed door verwondering bij de leerling, de leraar het gevoel geven dat hij in een behoefte voorziet. Wij moeten die verwondering levend houden door haar voedsel te geven. Dan zullen wij met de verwondering van onze eigen kinderjaren tot op het einde van onze dagen wonderen blijven zien. Zouden wij daarom niet tot deze elitaire groep willen behoren? Het is aan ons om te bepalen of dat het zo zijn zal.

    • V. de Vries