Gemaskerd; Het is een niet-weten dat lijkt op vergeten

Niet lang geleden stuurde iemand mij het hierbij afgedrukte knipsel toe. Het dateert uit 1920 en moet afkomstig zijn uit de Sumatra Post of de Deli Courant; de H.R. Kousbroek die er in genoemd wordt is mijn vader.

Het zien van dat knipsel was een vreemde ervaring. Ik wist dat mijn vader in 1920 met groot verlof naar Holland is gegaan (en daar toen mijn moeder heeft leren kennen), maar zijn leven uit die periode had altijd iets schimmigs, buiten de realiteit, half legende - en nu zag ik hier opeens de sporen van een heel bestaan van vóór mijn geboorte, met 200 boeken, een grammofoon met 200 platen, een Browning, een Winchester repeteergeweer, paard en wagen en een automobiel merk ORYX.

Het bijzondere van al deze dingen is dat met zekerheid kan worden gezegd dat ik geen ervan heb gekend. Ze waren immers stuk voor stuk al meer dan tien jaar vóór mijn geboorte verkocht.

Of mijn vader zou ze later moeten hebben teruggekocht. Dat kwam soms voor. Venduties waren in Nederlands-Indië een gangbaar verschijnsel. “In een land, waar ambtenaren en particulieren zooveel heen en weer trekken en periodiek naar Europa gaan, en waar de afstanden meestal te groot zijn om bij verhuizing den inboedel (meubels, paarden, rijtuigen) mee te nemen, komt het verkoopen van huisraad uiteraard veelvuldig voor”, aldus de Encyclopaedie van Nederlandsch Indië.

In het zojuist verschenen Komedie Stamboel, de zeer leeswaardige Indische herinneringen van BB-ambtenaar Adolf Maximiliaan Pino*, komt ook de misère van de Indische venduties ter sprake. “Vooral voor de echtgenotes waren de voortdurende verhuizingen een nachtmerrie”, schrijft zijn dochter Jeanette de Boer-Pino in haar inleiding. “Het steeds weer afstand moeten doen van de geliefde meubels en de angst dat ze op de vendutie niet genoeg zouden opbrengen om het verlofsalaris aan te vullen en bij terugkomst nieuwe te kopen, vormde een bron van zorg en verdriet.”

Mijn vader had op dat tijdstip zijn eerste werkperiode van zes jaar op Sumatra's Oostkust achter de rug, op een rubberplantage bij Kisaran. Ik bezit nog een foto (studio S. Kobayashi) van zijn huis, compleet met de Rens sulky en het hardlopende (of hardleerse) Batakpaard waar sprake van is in de tekst; mijn vader, met tropenhelm, houdt de teugels; de man naast hem is de eveneens in de tekst genoemde L.J. Schuijt-Best.

Met niets uit dat huis ben ik dus opgegroeid, of het zou diezelfde Winchester moeten zijn: mijn hele jeugd lang heeft er zo een een vaste plaats gehad naast mijn vaders bed. Geen van die boeken dus ook, tenzij hij ze later weer heeft teruggekocht. Wat mij vooral bevreemdt is dat er geen Franse boeken worden genoemd, terwijl ik mijn vader nooit zonder Franse boeken heb gekend. In die periode moet hij de tien delen Jean Christophe van Romain Rolland (Nobelprijs 1915) hebben doorgeploegd, die hij zo bewonderde (niet te verwarren met Jules Romains' Les hommes de bonne volonté, waar ik hem rond 1935 vaak in heb zien lezen). Waar waren die? Het kan haast niet anders of hij had zijn Franse boeken ergens in bewaring gegeven.

Niet het minst intrigerende van deze hele lelang (vendutie) is die tweezitter merk ORYX (Onyx?). Niet alleen dat er tot mijn grote verdriet van dit mysterieuze voertuig geen foto bewaard is gebleven - het zal wel een Amerikaans merk zijn, naar alle waarschijnlijkheid een model van vóór de Eerste Wereldoorlog, want die was toen nog maar net voorbij; ik stel me er iets nogal archaïsch bij voor, het moet een soort sportauto zijn geweest - maar wat ik niet kan verklaren is dat ik mijn vader nooit naar deze auto heb gevraagd. Het is waar dat ik de tekst van deze annonce pas lang na zijn dood onder ogen heb gekregen, maar ik wist er wel van, hij had wel eens over die auto verteld. Vreemd dat ik me dat niet duidelijker herinner: dat hij met die Oryx eens een race tegen de trein naar Medan had ondernomen (en gewonnen). Of heb ik dat gedroomd?

Nabokov heeft in Speak Memory geschreven over het onwerkelijke karakter van het leven dat je ouders leefden vóór je bestond. Het vreemdst was mij altijd het beeldmateriaal uit dat voorhistorische leven, foto's waar je sommige dingen op herkent en andere helemaal niet, voorwerpen waarmee je bent opgegroeid en die op de foto al duidelijk hun vertrouwde gezichten hebben - en andere onbekend en ondoorgrondelijk, afwerend, gemaskerd: de dingen die al voor je geboorte uit hun bestaan waren verdwenen. Het grote mysterie dat ik er nog niet was: het is een niet-weten dat lijkt op vergeten, alsof het wel in mijn hoofd zit ergens, en ik het me alleen maar niet te binnen kan brengen. Het herinnert mij aan wat ik wel eens voor de grap tegen mijn dochtertje zeg: dat we ook vóór zij werd geboren altijd al haar verjaardag vierden; zij is er altijd geweest. Hoe zouden wij hebben kunnen leven zonder haar? Hoe kon mijn vader leven zonder mij?

* Adolf Maximiliaan Pino, Komedie Stamboel en andere verhalen uit de practijk van het Binnenlands bestuur op Java 1913-1946. Leiden 1998.

    • Rudy Kousbroek