Emotietelevisie is prijsschieten op goedwillende hulpverleners; Gasten voeren als rechtgeaarde clowns hun eigen ongeluk ten tonele

Ontspoorde jongeren en gebroken gezinnen zijn geliefde thema's voor emotietelevisie geworden. Programmamakers gaan daar vaak op een onverantwoorde manier mee om. Carol van Nijnatten en Peter van der Laan vinden daarom dat hulpverleners niet aan zulke programma's moeten meewerken.

Ongerustheid over de toename van de jeugdcriminaliteit - en vooral het gewelddadig karakter daarvan - heeft de kinderbescherming terug op de (media)agenda geplaatst. Bijna iedere avond wordt er op televisie wel aandacht aan geschonken in buitenlandse documentaires, Teleac-cursussen, talkshows en emotie-televisieprogramma's van het kaliber 'Ik haat je zo'.

Zowel jongeren als hun opvoeders bevinden zich in de huidige complexe samenleving in een moeilijke positie. Maar ook de thema's die aangesneden worden zijn niet eenvoudig: is opvoeding te combineren met een individuele carrière? En wat is de invloed van geweld in de media op gewelddadig gedrag onder jongeren? Verdienen (Marokkaanse) jongens een hardere aanpak?

Het is goed dat het publiek wordt ingelicht over de stand van zaken in de opvoedingswetenschappen en de criminologie, dat er een openbaar forum is waar over waarden en normen in de opvoeding wordt gesproken en waar maatschappelijke organisaties en instituties kritisch worden gevolgd.

In sommige televisieprogramma's gebeurt dat op voortreffelijke wijze. De Engelse gedramatiseerde documentaire Lady Bird, Lady Bird toonde ons op indringende wijze de hopeloze positie van een alleenstaande vrouw die, eenmaal gebrandmerkt als slechte moeder, het in de ogen van de Engelse jeugdbescherming niet goed meer kan doen. De niet minder scherpe Canadese documentaire The trouble with Evan laat aan de hand van echte beelden uit een gezin zien hoe ouderlijk onvermogen samengaat met uiterste pogingen een goede ouder te zijn. Een meerdelige documentaire van de Evangelische Omroep bood een goed beeld van de verschillende instellingen in de jeugdbescherming en de jeugd- en gezinsproblematiek waarmee zij geconfronteerd worden.

Helaas is er ook een groot aantal programma's dat het met de documentatie niet zo nauw lijkt te nemen. In deze televisieprogramma's lijkt het oproepen van veel 'oh's' en 'ah's' bij het publiek het primaire oogmerk. Menig persoonlijk drama is al over het beeld gegaan: hartverscheurende verhalen over kapotte huwelijken en het gezeul en getrek met kinderen, de haat van uit huis geplaatste kinderen jegens hun ouders, de pas in de volwassenheid achterhaalde incest, de uit de hand gelopen ruzies met stiefvaders en ga zo maar door. Deze programma's houden het midden tussen infotainment en emotietelevisie en kiezen de persoonlijke situatie van mensen - die bij voorkeur als gast in de studio aanwezig zijn - als uitgangspunt. De verhalen zijn 'uit het leven gegrepen' en de feiten moeten maar voor zichzelf spreken. Niet gehinderd door kennis of respect voor de privé-sfeer van derden, doen cliënten van de kinderbescherming hun verhaal.

In dit mediacircus kijken programmamakers en publiek vol verwachting hoe de gasten als rechtgeaarde clowns hun eigen ongeluk ten tonele voeren. Het is de 'porno van het verdriet'. Over de ruggen van mensen wordt hun eigen ellende tot vermaak gemaakt. Soms treedt er ook een wetenschapper op die als een ware illusionist enkele van zijn verklarende wetenschappelijke kunstjes ten beste geeft. Het lijkt heel wat, maar het heeft feitelijk weinig om het lijf.

Zouden deze cliënten van de jeugdbescherming niet meer bescherming verdienen tegen programmamakers en zichzelf? De ervaring leert immers dat zij zelden iets winnen bij het publiek maken van hun casus. Sterker, in een probleemsituatie waarin zich partijen hebben gevormd, zorgt publiciteit meestal voor verscherping van het conflict. Uit de hand gelopen echtscheidingen verworden tot publieke scheldpartijen, uiteengedreven ouders en kinderen vervallen in verwijten en nog goedwillende gezinsleden wordt de laatste hoop uit handen geslagen. In deze programma's dient de publiciteit rondom kinderbeschermingszaken slechts het belang van de programmamakers en niet het belang van de cliënten. In al die programma's gaat het over liefde en de hang naar meer. Maar liefde laat zich niet dwingen en al helemaal niet met paardenmiddelen als emotietelevisie.

De winst in familiezaken valt niet te verwachten van spectaculaire shows, maar van zaken die zich minder goed lenen voor het publieke schouwtoneel: excuses, schaamrood en schuldbekentenis.

Anders dan men wellicht zou denken zijn het niet alleen de commerciële omroepen die belust zijn op deze slachtofferpulp. Een van ons smaakte het genoegen te mogen optreden in het programma Ongelooflijke verhalen van de KRO. Een 'eerbiedwaardige omroep' zou je denken, alhoewel de titel van dit programma voor een dergelijke omroep wel te denken geeft. Maar wat gebeurt er? Relevante, genuanceerde informatie wordt er uitgeknipt. Zo blijft het verhaal letterlijk 'ongelooflijk'. Kennis van zaken zou de beslissingen in de behandelde zaak misschien begrijpelijk maken, maar dat was kennelijk niet de bedoeling.

Behalve cliënten zijn ook de medewerkers van de kinderbescherming vaak slachtoffer van deze programmaformule. Wat is namelijk gemakkelijker dan de jeugdbescherming als schuldige aan te wijzen voor uit de hand gelopen opvoedingssituaties? De cliënten waren die mening al toegedaan en de jeugdbeschermers hebben eigenlijk geen enkele mogelijkheid zich goed te verdedigen. Zij zijn immers gehouden aan bescherming van de privacy van hun cliënten. Zij mogen niet over hun cliënten praten, zoals die cliënten over hun eigen zaak praten (en daarbij allerlei relevante informatie bewust of onbewust achterwege laten). En zelfs als kinderbeschermers dat wel zouden mogen, dan nog zouden de meesten het niet willen; het zou hun (beroeps)eer te na zijn. Zij kunnen niet veel meer doen dan aangeven wat de beleidsuitgangspunten zijn en hoe zij in het algemeen in vergelijkbare zaken te werk gaan. Zij mogen en kunnen niet (volledig) ingaan op de beslissingen die zij in concrete zaken hebben genomen. Het is bewonderenswaardig hoe deze medewerkers de druk van programmamakers weten te weerstaan en de privacy van hun cliënten op de eerste plaats stellen.

Onze handen jeuken regelmatig als we weer eens op een rondje prijsschieten op kinderbeschermers en andere hulpverleners worden getrakteerd.

Hoe verleidelijk is het die cliënten met hun eigen wapens terug te slaan en hun eens uitgebreid - en natuurlijk flink aangezet - uit de doeken te doen wat voor fantastische ouder en echtgenoot die persoon was en wat een verlichte opvoeder. Maar het zou tegelijkertijd een onbezonnen reactie zijn.

De druk van de publieke opinie is een goed middel om de kwaliteit van de kinderbescherming te controleren en de verantwoordelijken wakker te houden. Maar het oneerlijke gevecht dat in (sensatie)programma's wordt aangegaan trekt een zware wissel op kinderrechters, gezinsvoogden en onderzoekers van de Raad voor de kinderbescherming. Bij hen gaat slachtofferhulp vóór slachtofferpulp.

De gemiddelde kijker beseft niet dat cliënten van de jeugdbescherming tot het moeilijkste gedeelte van de bevolking horen. De meeste kinderbeschermingsverhalen zijn 'tearjerking'. Programmamakers hebben dat goed begrepen. Wat niet zo interessant voor de televisie lijkt te zijn, is dat je als kinderbeschermer jaar in jaar uit probeert de kinderen in dit milieu (toch) te helpen, dat je probeert hen zoveel mogelijk in hun waarde te laten en vasthoudt waar menig ander al lang had losgelaten. Dat is werk in de schaduw en niet interessant voor de schijnwerpers in de televisiestudio.

Het niveau van de programma's is er de laatste tijd niet beter op geworden. En eerlijk gezegd hebben wij er weinig vertrouwen in dat omroepen en productiebureaus hierin spoedig verandering zullen brengen. Waarom zouden ze ook. De kijkcijfers en waardering zijn hoog en niemand die hun vraagt een andere koers in te slaan. Ons zou het echter een lief ding zijn als paal en perk zou worden gesteld aan de ongebreidelde emotiehandel van televisieproducenten. Wij behoren echter niet tot die mensen die menen dat hier een taak voor politiek en overheid ligt. Nog afgezien van het feit dat de vrijheid van de pers een groot goed is, zou dat onmiddellijk worden uitgelegd als ongewenst irritant, bemoeizuchtig en paternalistisch overheidsoptreden met geringe kans op succes.

Recente voorstellen van de overheid om geweld in de media terug te dringen en ook het alcohol- en drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan en de afwijzende reacties daarop vanuit kringen van respectievelijk omroep en horeca, zijn in dit verband veelbetekenend en weinig bemoedigend.

Ook hebben wij geen hoge pet op van het zelfregulerend vermogen van omroeporganisaties om bijvoorbeeld door middel van het opstellen van codes of convenanten bescherming te bieden tegen tendentieuze berichtgeving aan mensen die zich beroepshalve niet of slechts spaarzaam kunnen verdedigen.

Voorlopig zit er maar één ding op: een oproep aan kinderbeschermers en hun cliënten alsmede aan andere deskundigen op dit terrein om niet mee te werken aan programma's en er ook niet naar te kijken.