OM te behoedzaam na IRT-affaire

De nasleep van de IRT-affaire heeft bij het openbaar ministerie geleid tot een cultuur van de angst. Waar voorheen misstanden ontstonden door een gebrek aan regels, wordt het opsporingsapparaat nu verlamd door angst voor fouten. “Als je onder het maaiveld kruipt, kruipt de rest nog dieper om je heen.”

DEN HAAG, 22 JUNI. “Niet onbeschadigd” zijn de hoofdrolspelers uit de zogeheten IRT-affaire er zo'n vier jaar na het ontbinden van het omstreden politieteam aan toe. “In enkele gevallen bekroop ons zelfs de gedachte dat een therapeutisch gesprek meer op zijn plaats zou zijn dan een onderzoekend”, constateerden organisatiedeskundigen uit een rondgang langs 62 officieren van justitie, rechercheurs en burgemeesters.

Omdat een aantal Haarlemse rechercheurs in het geniep grote hoeveelhden drugs bleken door te leveren, werd eind 1993 het speciale IRT-team ontbonden. Het gebruik van onorthodoxe opsporingsmethoden bleek in het opsporingsapparaat wijdverbreid en leidde tot de enquêtecommissie Van Traa in 1995. Nieuwe regelgeving en overplaatsing van gezagsdragers was het gevolg.

Om te kijken hoe de gezagscrisis in het opsporingsapparaat is verwerkt, werden in opdracht van justitie en binnenlandse zaken onderzoekers onder leiding van de Maastrichtse hoogleraar en managementsdeskundige C.W. Vroom ingeschakeld. Het leidde tot het rapport: Rekkelijk of precies? Boeven vangen in de polder.

De IRT-affaire is door de “persoonlijke krenking” intern nog steeds niet verwerkt. “Je hebt ook stille slachtoffers. Tachtig tot negentig procent van de mensen die voor het IRT aan het werk waren (ruim honderd mensen, red.) deden dit volstrekt integer maar wisten niet dat er geknoeid werd. Er zitten mensen ziek en overspannen thuis”, vertelt een geanonimiseerde kernteamleider in het rapport. “Er is ook totaal geen steun geweest vanuit het departement noch vanuit de leiding om dit soort stille slachtoffers te begeleiden”.

In het onderzoek is de situatie bij de recherche en het openbaar ministerie onderzocht. Maar vooral bij het OM bleek dat “de frustratie er nog behoorlijk in zit”. Het brengt de onderzoekers uiteindelijk tot de slotsom dat het “een goed idee zou zijn om de meest direct betrokken personen nog eens bij elkaar te brengen in een evaluerende sessie waarbij de leiding zich ook laat zien”.

Bij de politie zijn de nieuwe ontwikkelingen beter verwerkt onder meer omdat “de organisatiegraad van de politie veel hoger is dan die van het OM”. Bij de 450 officieren van justitie die Nederland telt, overheerst vooral een gevoel van eenzaamheid in de strijd tegen de misdaad. “De eigen organisatie laat je snel vallen, de advocatuur trekt alle aandacht weg”.

De IRT-affaire bleek destijds te zijn ontstaan doordat de politie gebrekkig toezicht uitoefende op het werk van de politie. Dat is de laatste jaren veranderd. “Beide organisaties zijn aanzienlijk dichter naar elkaar toegegroeid. Mede door 'Van Traa' is er nu eerder sprake van overcontact tussen beide organisaties”.

Maar vooral voor de jonge officieren van justitie die afkomstig zijn van de eigen zesjarige zogeheten RAIO-opleiding - daar kom de helft van de leden van het OM vandaan - geldt dat er een enorme kloof bestaat tussen hun opvattingen en die van de rechercheur. De RAIO-pupillen, vooral vrouwen, zijn volgens de onderzoekers “afkomstig uit een beschermde, hogere sociale klasse”.

Als stereotype beschrijven de onderzoekers deze officieren als “de Leidse 'elle' compleet met parelketting en lidmaatschap van Minerva, gespeend van kennis van het leven in het algemeen en de wereld van de crimineel en de opsporingswereld in het bijzonder”. Het zijn “bureaucratisch georiënteerde” magistraten die bovendien door een beetje handige rechercheur makkelijk te manipuleren zijn. “Je moet een vrouwelijke officier bellen tijdens het familiespitsuur om zeven uur 's avonds. Dan krijg je (voor een opsporingsactie, red.) altijd toestemming”, aldus een rechercheur.

Bij de politie slaan ze toch met enige bevreemding de andere partners-in-de-strijd-tegen-de-misdaad gade. “De omgangsvormen en humor tussen officieren van justitie en rechters, daar snap je als rechercheur soms helemaal niets van: korpsballen-humor, het is een kliek die elkaar kent”, aldus een rechercheur.

Bij de politie ervaart men een gebrek aan steun bij de 'naïeve' gezagsdragers en de politiek. “Een aantal leden van de Tweede Kamer zou eens moeten meegaan naar een informant. Dan zal men pas echt begrip op kunnen brengen voor welke zware taak wij staan: de bescherming van de veiligheid van een informant”, zegt een chef van een criminele inlichtingendienst.

De onderzoekers schetsen ook dat de voortdurende kritische aandacht van de pers vooral de magistraten schuw maakt: ze slaan met angst en beven dagelijks hun krantje open. De strikte nieuwe regelgeving die bij overtreding kan leiden tot strafdeportatie heeft bij het OM geleid tot de cultuur van de angst. “Als je onder het maaiveld kruipt, kruipt de rest nog dieper om je heen”, aldus een officier in het rapport.

De onderzoekers bevelen aan dat er een nadere studie komt naar de werklast van het OM. “In de internationale vergelijking is het OM in Nederland kwantitatief zwak bemand terwijl dat hoogstwaarschijnlijk niet voor de criminaliteit geldt”.

Uit de rondgang langs de recherche is ook gebleken dat buitenlandse politie-organisaties acties in Nederland uitvoeren “zonder aanmelding”. Er is bij de politie ook sprake van “een tegentrend”. Men wil ondanks de nieuwe bureaucratie hoe dan ook de misdaad bestrijden. “Het OM zal daarbij linksom of rechtsom mee moeten. Dat leidt toch weer tot stiekem de hand lichten met de nieuwe regels, het bedenken van listen die net wel kunnen maar de facto oneigenlijk zijn”.

En zo ontstaat ruimte voor de volgende crisis in de opsporing. Nu niet door een gebrek aan regels maar door een overvloed aan bepalingen. Slotsom van de onderzoekers. “Een nieuwe affaire kan derhalve niet worden uitgesloten”.

    • Marcel Haenen