NAVO-ingrijpen kan alleen met mandaat; De VN kunnen een genocide niet met geweld beëindigen

Een week geleden stegen 84 vliegtuigen, waaronder vier Nederlandse F16's, in Italië op om oefeningen te houden boven Albanië en Macedonië. Met deze actie moest de regering in Belgrado duidelijk worden gemaakt dat de NAVO niet met de armen over elkaar toeziet bij het Servische geweld in Kosovo.

Aangezien Joegoslavië geen toestemming zal geven voor militaire acties op of boven zijn grondgebied, moet de NAVO zich beroepen op een rechtvaardigingsgrond voor een dergelijk ingrijpen in Kosovo.

Gelijn Molier betoogde (NRC Handelsblad, 9 juni) dat het internationaal recht drie mogelijkheden biedt ter rechtvaardiging van een militair optreden. Hij stelde dat het conflict in Kosovo niet slechts een intern conflict is, maar ook een bedreiging voor de internationale vrede vormt. Op zichzelf genomen is hier niets tegen in te brengen. Aangezien de Kosovaren van etnisch-Albanese afkomst zijn, valt niet uit te sluiten dat het conflict zich uitbreidt. De Veiligheidsraad kan dus zeker een bedreiging van de internationale vrede vaststellen (artikel 39 van het VN-handvest), maar heeft dat nog steeds niet gedaan. Rechtvaardiging van militair optreden tegen Joegoslavië vereist echter ook dat de Veiligheidsraad een machtiging aan lidstaten verleent om gewapend op te treden. Maar het probleem is nu juist dat Rusland niets voelt voor militaire actie en deze ook kan tegenhouden door van zijn vetorecht gebruik te maken.

Als tweede mogelijkheid noemt Molier de omstandigheid dat Joegoslavië (mogelijk) genocide pleegt. Hij stelt dat het beginsel van non-interventie in zo'n geval niet van toepassing is en dat artikel VIII van het Genocideverdrag partijen de mogelijkheid biedt zich tot de Verenigde Naties te wenden om een eind te maken aan die genocide.

Beide argumenten zijn juist. De VN, en met name de Veiligheidsraad, krijgen echter in het Genocideverdrag geen bevoegdheid die uitstijgt boven wat in het Handvest is neergelegd. Niets in het Genocideverdrag wijst erop dat de VN het recht hebben een genocide met geweld te beëindigen. Ook in het geval van genocide behoort de Veiligheidsraad dus een bedreiging van de internationale vrede vast te stellen en lidstaten te machtigen. Rusland bezit wederom het vetorecht.

Als laatste stelt Molier dat sprake is van ernstige schendingen van de mensenrechten in Kosovo. Terecht wijst hij erop dat een Joegoslavisch beroep op interne aangelegenheden onmogelijk is. Dit rechtvaardigt echter niet het gebruik van militair geweld. Een recht van interventie betekent dat men mag protesteren, rechtsherstel eisen (en met name een stopzetting van de schendingen van de mensenrechten) en over mag gaan tot 'vreedzame' represailles (economische sancties).

Opvallend genoeg brengt Molier slechts de noodzaak van een 'humanitaire interventie' ter sprake, maar bespreekt hij niet de juridische merites van die rechtsbasis. Humanitaire interventie betreft dan ook een bijzonder omstreden rechtvaardigingsgrond in het internationaal recht. De rechtsovertuiging dat humanitaire interventie een uitzondering vormt op het geweldsverbod, neergelegd in artikel 2 lid 4 van het Handvest, heeft zich in de vijftig jaar na de totstandkoming van het Handvest nog altijd niet gevormd.

Minister Voorhoeve heeft aangegeven dat een relevante wettelijke basis voor optreden van de NAVO in Kosovo ook gevonden kan worden in het volkenrecht, de conventies van Genève en de verdragen inzake de rechten van de mens. Het argument ontleend aan de Geneefse conventies van 1948 doet niet terzake. Die verdragen gelden uitdrukkelijk slechts voor de strijdende partijen tijdens een gewapend conflict. Zij zijn van toepassing op alle betrokken partijen en beogen geen enkel oordeel te geven over wie nu onrechtmatig of gerechtvaardigd geweld gebruikt. Verder voorziet geen enkel verdrag inzake de rechten van de mens in het gebruik van militair geweld om een eind te maken aan schendingen van de mensenrechten. Noch partijen, individueel of collectief, noch de VN wordt enige (rechts)handhavende rol toebedeeld.

De Amerikaanse minister van Defensie Cohen voert op zijn beurt aan dat een resolutie van de VN wenselijk is, maar dat de NAVO kan optreden in het kader van collectieve verdediging tegen de “instabiliteit, die wordt geschapen door een voortzetting van de situatie.” Hier bevinden wij ons eindelijk op terra firma, aangezien een beroep wordt gedaan op individuele of collectieve zelfverdediging (artikel 51 van het VN-Handvest). Voor zelfverdediging geldt helaas als voorwaarde dat een gewapende aanval heeft plaatsgevonden. Deze voorwaarde is door het Internationaal Gerechtshof uitgelegd als substantiële militaire actie over de internationale grenzen heen. Daarvan is hier geen sprake.

Ten aanzien van Kosovo ontbreekt een resolutie, inclusief een machtiging, ten enen male. Natuurlijk kunnen ernstige schendingen van fundamentele mensenrechten niet worden getolereerd. Het Handvest voorziet echter niet in militaire actie door de individuele lidstaten. Een machtiging door de Veiligheidsraad biedt dan ook de enige solide rechtsbasis voor actie tegen Joegoslavië. Als de NAVO militaire actie gaat ondernemen zonder zo'n machtiging, zou het diens lidstaten sieren als zij een uitdrukkelijk beroep doen op humanitaire interventie.

    • André de Hoogh