In 'De Pijp' wordt een das niet geweigerd

In Rotterdam is gisteren het honderdjarig bestaan gevierd van Bierhandel 'De Pijp', een 'huiskamer van Rotterdam' die sinds 1940 in een voormalige fietsenstalling is gevestigd. Een kleine 800 'vrienden' van De Pijp vierden feest in de Van Ghentkazerne van de Rotterdamse mariniers.

ROTTERDAM, 22 JUNI. Het plafond is donkerbruin van de sigarettenrook, langs de muren hangen 550 stropdassen van bezoekers, je kunt er mooie wijnen drinken bij puike Franse gerechten of bij gestoofd rundvlees met rode kool en je zit er op harde banken aan lange tafels - het zijn maar enkele kenmerken van bierhandel 'De Pijp' in de Gaffelstraat.

Een kleine duizend vrienden van De Pijp hadden zich aangemeld voor het eeuwfeest dat werd gevierd op de Van Ghent-kazerne, basis van het korps mariniers dat nog twee eeuwen langer met Rotterdam is verbonden. Vele Pijp-klanten kwamen er uit tal van landen voor over. Ze behoren tot de vele vaste bezoekers van het etablissement waar ze vaak voor het eerst kwamen als student van de Nederlandse Economische Hogeschool (NEH), later Erasmus Universiteit. “Het Belgisch contingent [van maatschappelijk geslaagde landgenoten] is het grootst”, glimlacht Patrick Davidson van de Stichting Vrienden van de Pijp en mede-organisator van het eeuwfeest.

De bierhandel De Pijp die voor de oorlog vlak bij het Witte Huis aan de Geldersche kade was gevestigd en die bij het bombardement van mei 1940 werd verwoest, telt vele honderden vaste klanten - de meesten uit het bedrijfsleven, maar ook uit de politiek en de artistieke wereld van Rotterdam. Van sommige Rotterdamse families komen er vier generaties over de met zaagsel bedekte tegelvloer, waar enkele kleine tafels staan - voor wie niet bij anderen wil aanschuiven. Het belangrijkste deel van het cliënteel vormden, altijd al, maar vooral in de vijftiger jaren, de leden van het Rotterdamse Studenten Corps voor wie De Pijp een dependance van hun 'soos' was.

Het RSC bestuur lunchte er jaren achtereen ritueel in rokkostuum.

In de drie decennia na de oorlog, toen in het kale Rotterdam nog alles moest worden opgebouwd, verwierf De Pijp zijn grootste en sindsdien onbetwiste roem dank zij eigenaar Cor van der Valk die gek was op de Franse keuken, Duitsers en 'boeren van de [Zuid-Hollandse] eilanden' wegjoeg, zakken met pinda's uitdeelde en een luikje in de deerlijk aangetaste voordeur aanbracht om de 'leden' van het kaf te scheiden.

Van der Valk beschreef zijn publiek in het door Nico Polak (Het Vrije Volk) geschreven boekje 'Rotterdam is niet niks' als volgt: “Het merendeel van mijn cliënten is academisch gevormd. [...] Journalisten en schrijvers mogen er ook in, want die zijn ondanks hun geringe opleiding uiteindelijk niet op hun achterhoofd gevallen. Voor de rest gaat hier om negen uur de deur potdicht en wie ons niet door het luikje bevalt, blijft buiten.”

Zakenlui mochten binnenkomen 'als ze een zekere standing hebben bereikt', aldus nog Van der Valk, die net als andere beroemde Rotterdamse horeca-uitbaters in die jaren, zoals 'mijnheer Pardoel' en Timmer ('geen vrouwen in de zaak') van de gelijknamige cafés op de Oude Binnenweg, zo zijn opvattingen had. Scheepsbouwer Cornelis Verolme die niet lid mocht worden van de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging De Maas, kwam ook niet in De Pijp.

Artiesten en acteurs als Rob de Vries, John Lanting en Lia Dorana en later kleinkunstenaars Gerard Cox en drs. (Heinz) P(olzer) waren er wel welkom. De Rolling Stones werden nog in 1980 als 'langharig tuig' bij het luikje weggestuurd. Twee jaar later, nadat Cor van der Valk tevoren was ingelicht, mochten ze wel binnen. Wim Sonneveld had zijn eigen spijker in de muur om zijn jasje op te hangen.

De tijden dat Delftse studenten naar De Pijp gingen omdat je er voor 2,50 gulden goed kon eten en 'de kok in de jus zag spugen', zijn lang voorbij.

John Mook, sinds 1972 kok bij De Pijp, en sinds 1982 co-eigenaar, eerst met John van der Wel en na diens overlijden met diens vrouw Tineke, zegt: “Vroeger liep men bij ons binnen omdat je er altijd kennissen zag. Concurrentie was er nauwelijks. Nu zijn er zoveel restaurants dat we scherp op de prijs-kwaliteitverhouding moeten letten.”

Bij het eeuwfeest verscheen gistereneen De Pijp-boek, dat is gefinancierd met kleine geestige advertenties waarvoor stevig moest worden betaald. In de Rotterdamse zakenwereld is dat geen probleem; “een paar telefoontjes en iedereen wil meedoen”, zegt fundraiser Patrick Davidson.

Het gebeurde wel eens dat De Pijp, het 'grootste netwerk van Rotterdam en omstreken' (Davidson), niet op zijn waarde werd geschat. In 1984 introduceerden de eigenaars een speciale stropdas, in een oplage van 2.000 stuks, waarvan er nu 1.700 zijn uitgegeven. Frans Swarttouw, de inmiddels overleden havenondernemer die als topman bij de ter ziele gegane vliegtuigbouwer Fokker eindigde, weigerde ooit de das die, vooral de laatste jaren, heel selectief aan speciale of trouwe gasten wordt 'verleend'. “Ik ga niet met een reclamedas rondlopen”, riep Swarttouw uit, een faux pas die hem nooit werd vergeven. Ex-premier Ruud Lubbers, die ooit in De Pijp een taart op het hoofd kreeg van een protesterende student, is verzot op zijn Pijp-clubdas, die zoals alle andere onder een bepaald nummer in een register is vermeld.

De band tussen De Pijp en het Rotterdamse Studenten Corps is er nog altijd. RSC-leden komen niet meer in rok naar De Pijp, zoals ook het luikje in de deur buiten dienst is gesteld en pinda's strooien op zaterdagavond is afgeschaft. Ze werken er nu als kelner onder strenge leiding van Rinus, de chef-kelner. John Mook: “Er zijn er altijd zeven of acht, en ze zorgen zelf voor aanvulling als er een weg gaat.”

En de regels zijn streng, zoals het betaamt: “Eerst een jaar aan het buffet en pas na twee jaar mag je de wijk in.” De voorwijk of de achterwijk, voorbij de kleine moderne keuken. John Mook mag daar nog graag achter het fornuis aardappels bakken “zoals grootmoeder het op haar potkachel deed”. Voor de vaste bezoekers zijn het, zo weet Patrick Davidson, “de beste ter wereld”.

    • Jan Gerritsen