Het leven is een eigenzinnig goedje

De film Kleine Teun van Alex van Warmerdam is wel 'een noodlotsdrama' genoemd, om de onontkoombaarheid van de verwikkelingen aan te geven, de onmogelijkheid voor de personages om nog uit te breken als alles zich eenmaal in beweging heeft gezet. Toch is 'noodlotsdrama' eigenlijk niet het goede woord. Wat we zien is iemand die haar eigen leven wil besturen, en om dat te kunnen moet ze ook de levens van anderen krachtig in de hand nemen.

In een van de eerste scènes in de film zien we Keet in een supermarkt naast een baby in een wagen staan. We kennen Keet nog niet zo goed, maar we hebben al wel gezien dat ze geen lachebek is. Een strenge, altijd in het zwart geklede reuzin is ze. Maar nu kirt ze: “Lig jij daar dan zo lekker, ja!” en haar hele gezicht klaart op. Ze vraagt de moeder of ze de baby even vast mag houden, - en dan loopt ze er mee weg. Niet ver weg. Ze gaat niet verder dan de blikken tomatensoep en leest de baby de etiketten voor: “Goedgevuld, ja!” Maar ze is duidelijk tè ver en de moeder neemt haar de baby af zonder een woord te zeggen.

Aan die scène hebben we twee dingen gezien: hoe groot Keets verlangen is, en dat ze bereid is nèt iets te ver te gaan. Wat volgt, komt allemaal voort uit dit verlangen en uit deze mateloosheid. Bij Keet rijpt het plan om haar man Brand een kind te laten maken bij de onderwijzeres die geregeld aan huis komt om hem lezen te leren. Ze moedigt de twee aan, en om alles gemakkelijk te maken zegt ze zelfs dat ze niet Brands vrouw is maar zijn zusje. Ze dwingt Brand het spel mee te spelen. Vanaf dat moment is er geen houden meer aan, want weliswaar wordt juf Lena inderdaad zwanger, maar ze eist ook haar rechten op in huis, ze verjaagt Keet uit het huwelijksbed en gaat daar met Brand in liggen, ze voert vreemde eetgewoontes in en Keet zit in de vernederende situatie dat zij zich dat alles moet laten welgevallen.

Is het haar dat allemaal waard, dat gedroomde kind? Misschien. Misschien is het ook te laat geworden om er nog vanaf te zien, misschien is het enige wat er nu nog op zit vast te blijven houden aan het verlangen, vol te houden dat alles onder controle is, dat alles precies naar wens verloopt. Zodra het doel haar niet meer heilig zou zijn, zou haar leven immers zinloos verwoest zijn.

Natuurlijk kan dat niet goed aflopen. Het wordt een strijd op leven en dood en eigenlijk komt niemand als winnaar uit die strijd, maar vooral Keet niet. Dat hadden we al kunnen weten. Meteen aan het begin van de film wordt een dorre boom omgehakt. Dorre boom. Onvruchtbare vrouw.

Wat wil deze film nu. Zeggen dat we niet zo erg moeten verlangen? Dat we er niet alles voor over moeten hebben? Ik denk niet dat hij zo moralistisch wil zijn. De film laat zien wat er gebeurt als je alles wilt beheersen, hij laat zien dat alles helemaal niet beheersbaar is. Integendeel, eenmaal ontketende krachten kunnen gemakkelijk te groot zijn en iemand meeslepen.

Daarmee kan natuurlijk niet gezegd zijn dat het verkeerd is om iets te willen beheersen. Maar het leven gaan bekijken als een schaakspel is gevaarlijk. De tegenstander, en dat is de veelvoudigheid zelf, is ongemeen sterk. In de jaren zestig was het geloof in de maakbaarheid van de wereld veel gewoner dan het nu is, en de ideologische bevlogenheid een stuk groter. Daarvoor in de plaats is het marktdenken gekomen, met in zijn kielzog een ander soort maakbaarheidsdenken, het succesdenken, het tsjakka-gevoel, het idee dat als je goed bent de markt je wel wil, dat goed zijn betekent: een passend aanbod zijn op een vraag. Desnoods organiseer je zelf de vraag. Dus als je mislukt, als het niet gaat zoals je zou willen, als dingen uit de hand lopen: eigen schuld, dikke bult. Als je niet zo'n sukkel was zou je wel succes hebben. Wie wil die wint. Wie verliest moet maar eens bij zichzelf te rade gaan.

Dat is een eigenaardige voorstelling van zaken. Sommigen van ons kunnen het spel niet meespelen omdat ze te oud zijn, te ziek, te ongelukkig. Anderen willen het spel niet meespelen omdat het ze om heel andere dingen gaat, om aandacht, om rust, om traditie, om alles wat 'nutteloos' mooi is. En anderen proberen het, maar falen. Omdat het verlangen soms te groot is, te moeilijk. Omdat er iemand komt die op je plaats wil zitten en omdat je daar dan niets tegen kan doen. Omdat andere mensen heel andere dingen blijken te willen en te voelen dan voorzien - en dan blijf je ineens alleen over, uitgesloten van iets wat je zelf georganiseerd had. Want er is zoveel dat zich niet laat organiseren. Misschien laten juist de allerbelangrijkste dingen zich wel niet organiseren. S. Vestdijk schreef in de oorlogsjaren een episch gedicht van duizenden regels lang, waarin hij, nu het hemzelf door de omstandigheden onmogelijk is op reis te gaan, een student de bergen in stuurt die verliefd wordt en probeert zijn liefde te realiseren. Maar de bergen zijn te hoog, te ongenaakbaar, het meisje te vreemd om haar in te polderen. De student sterft ergens in de hoge ijskoude klaarte. Toch is hij niet mislukt, want hij is tot inzichten gekomen die hij nooit had verkregen als hij was blijven doormodderen in het laagland. Een van de dingen die de student heeft geleerd is “dat liefde geen veilig bezit alleen, / Doch ook een prijsgeven is van 't geliefde.” De student is zo wijs geworden dat hij “Afstand kon doen en deed, en stierf, en leefde...” En dan schrijft Vestdijk, met mooi Vestdijkiaans pathos: “Hij leeft alleen die zich gestaag verreint/ Van 't oude, 't dierbaar innig aangekleefde, -/ Hij leeft alleen die steeds te sterven schijnt. - ” Is een wens, een verlangen, een voorstelling van hoe je leven zou zijn ook een vorm van “'t oude, 't dierbaar innig aangekleefde”? In zekere zin wel. Wat iemand zich voorstelde van het leven, hoe hij of zij zichzelf zag, dat hoort bij wie men is, dat is iets waarmee een mens heel nauw verbonden is. En afstand doen is moeilijk, opnieuw beginnen, de vurig gekoesterde verlangens loslaten en niet, als de ongelukkige Keet met haar diepe onvervulde wens, alles in het werk stellen om alsnog te krijgen wat niet voor ons weggelegd is.

Het leven, het is niet anders, is een ongehoorzaam en eigenzinnig goedje. Soms schikt het zich, soms is het dwars. Er zijn dingen die je kunt leren en die dan ook lukken, dingen als taart bakken, meubelmaken, een rapport schrijven, een financieel plan ontwerpen. Maar in alles schuilt altijd ook een eigen kracht. Soms moet je die dwingen om voor je te buigen: dat taartdeeg zal in de vorm en het gaat de oven in, goedschiks of kwaadschiks, bobbelig, brekelijk, te koud, te zacht het doet er niet toe, we behandelen het tot het doet wat wij willen. Maar soms lijken wij zelf het deeg, zoals de dichter Yorgos Seferis schreef: “Wij het geduldige deeg van een wereld die ons neersmijt en ons kneedt.” Soms zijn we als Keet, voortgesleept door een al te diep verlangen waar we geen afstand van hebben kunnen doen, quasi aan het stuur, maar van een onbestuurbare auto. Misschien is het dan te laat om aan Vestdijks wijsheid te denken. Maar Van Warmerdams film, Vestdijks gedicht, ze laten iets zien van de andere kant van de beheersbaarheid. De kant waar het enige wat erop zit is het prijsgeven van 't geliefde, het loslaten van het verlangen. Het zich neerleggen.