Heldrings nuttige taaladviezen

Hollands Maandblad 1998 6/7. Uitg. Stichting Hollands Maandblad i.s.m. uitg. L.J. Veen. Prijs ƒ 13,50. Tirade 1998 nr. 2. Uitg. G.A. van Oorschot. Prijs ƒ 25,-

De enige die tot nu toe aandacht heeft besteed aan het toch wel opmerkelijke verscheiden van J.L. Heldrings taalrubriek in deze krant, is Max Pam in Hollands Maandblad. 'Er was een kleine aardbeving, toen ik de krant opensloeg. Dit wordt mijn laatste taalstukje, stond er boven het stukje dat ik wilde gaan lezen. Mr. Jérôme Louis Heldring houdt er mee op.' De grond onder Pams voeten begon niet alleen te schudden omdat hij het voortaan zonder de vermaningen over grammaticale fouten moet stellen, maar vooral omdat Heldring als reden opgaf dat hij er geen zin meer in heeft. 'J.l. Heldring gaat alleen nog maar dingen doen waar hij zin in heeft. Dat hoort niet. Straks komt Heldring zonder das op de krant, gewoon in een pullover, en dan roept hij, alleen maar omdat hij er zin in heeft: “Zo, ouwe rukker, hoe gaat het met jou?!” Ondenkbaar, dat mag niet.'

Over zijn appreciatie van Heldrings taalcolumns heeft Pam het niet. Ten onrechte. Ik vond het nuttige stukjes, al hebben ze mijn taalgevoel voor eeuwig in de war gebracht. Het verschil tussen 'niet in het minst' of 'niet het minst' bijvoorbeeld wist ik ooit feilloos, zonder erbij te hoeven nadenken, maar sinds ik vaste lezer werd van de taalrubriek ging het mis: er is iets 'Heldringiaans' met die woorden, maar wat ook alweer?

Heldring zelf is aanwezig in Tirade met een terugblik op zijn werk. De 82-jarige columnist doet behartenswaardige uitspraken over de werking van zijn geheugen en over de wortels van zijn historische belangstelling. Zijn voorkeur gaat uit naar de petite histoire. 'Memoires hebben mijn voorkeur _ hoezeer ik mij er ook van bewust ben dat ze onbetrouwbaar zijn, niet omdat de schrijver noodzakelijkerwijs een leugenaar is, maar omdat het geheugen feilbaar en selectief is. Wanneer ik nu over ruim vijftig jaar journalistiek leven ga vertellen, besef ik heel goed dat dit ook voor mijn geheugen geldt.' Selectief of niet, deze ontboezemingen zijn boeiende memoire-literatuur en leveren tegelijkertijd een bijdrage tot de Nederlandse persgeschiedenis. Zo vertelt hij dat de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken ooit de directie van de NRC schreef om zich te beklagen over Heldring (toen adjunct-hoofdredacteur) omdat hij niet vriendelijk genoeg zou schrijven over de minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, met wie hij van mening verschilde over de kwestie Nieuw-Guinea.

Aan Carry van Bruggen heeft hij de opvatting ontleend dat de mens ernaar streeft zich te onderscheiden van anderen. Tegelijkertijd, zegt Heldring, streeft de mens 'er ook naar één te worden met de andere of het andere: met de geliefde, de godheid, de gemeenschap. Laten we ons bepalen tot de gemeenschap bij uitstek: de staat.' Vooral dat laatste trof mij, omdat Heldring zich zo als vanzelfsprekend identificeert met 'de Nederlandse staat'. Ook in deze terugblik. In 1945, memoreert hij, pleitte hij er in een artikel voor om Soekarno zoveel mogelijk zijn zin te geven, omdat 'we' voor andere oplossingen op onvoldoende internationale steun konden rekenen. Ook Nieuw-Guinea was voor Nederland op den duur niet houdbaar, omdat 'wij' niet voldoende internationale steun voor 'onze positie' zouden krijgen.

'Wij' staat bij Heldring blijkbaar voor het Nederlandse staatsbelang. Ik vraag mij af of dit hetzelfde 'wij' betreft als van de Oranjefan bij het WK voetbal en of dat weer hetzelfde is als het 'wij' in een artikel in Hollands Maandblad, waarin Jan Brugman Ed. van Thijn aanvalt wegens diens pleidooi voor een multiculturele samenleving. 'Moeten wij de positie van de moslimse vrouw zowel binnen als buiten het huwelijk accepteren hoewel die (...) in vele opzichten in strijd is met onze (juridische) openbare orde?'

Andere lezenswaardige bijdragen in Holland Maandblad zijn onder meer een portret van de Friese journalist Fedde Schurer door Martin van Amerongen en een kritische beschouwing over 1968 door Bastiaan Bommeljé. In Tirade trof me, behalve Heldrings bijdrage, vooral een kort verhaal van Vonne van der Meer over een vrouw die nadenkt over haar nooit geboren, want twintig jaar geleden geaborteerde kind. 'Een kind was het alleen als je ook geloofde dat het dat zou worden', zegt een negentienjarige die een paar weken zwanger is en nog niet weet of ze de baby wel wil. Maar zo simpel ligt het dus niet voor iedereen.

    • Elsbeth Etty