Wetenschap en kunst

De Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) bestaat 190 jaar en vierde dit op 15 mei met een symposium over 'Kunst en Wetenschap', belicht door koppels van een kunstenaar en een onderzoeker. Zo'n wazige onderneming trekt mij niet, maar toen ik gekoppeld werd aan Rudy Kousbroek, idool uit mijn jeugd, kon ik niet weigeren. Na mijn toezegging bleek dat Mulisch, ook gevraagd, niet samen met Kousbroek in één zaal kan omdat er dan brand uitbreekt. De KNAW wilde de Beurs van Berlage, de symposiumlocatie, daar niet aan opofferen. In plaats van Kousbroek mocht ik optreden met Wim Quist, ex-rijksbouwmeester en meesterarchitect, eigenlijk wel zo leuk. Architecten combineren wetenschap en kunst in hun ontwerpen en kunnen dat ook met dia's illustreren. Bij de projectie werden daar weliswaar essentiële details van weggesneden, maar van een 190-jarige KNAW kun je niet al te veel technische kunde verwachten. Ook de geluidsinstallatie deed het maar matig.

De relatie tussen kunst en wetenschap is goed omschreven door Peter Medawar, biomedisch onderzoeker en virtuoos schrijver. Toen hij gevraagd werd voor een radiospelletje van onderzoekers tegen kunstenaars, schreef hij: 'Darwins prestatie valt niet te verdedigen tegenover die van Beethoven, zelfs niet voor de grap. (...) Ik denk niet dat er onderzoekers zijn die het op kunnen nemen tegen grote kunstenaars. Onderzoekers zijn altijd vervangbaar. Op termijn zal een ander doen wat ze zelf niet hebben kunnen doen.' (The threatand the glory, Oxford University Press, 1990).

Zo is het natuurlijk. Een goed schilderij, sonate, bouwwerk, is uniek en onherhaalbaar. Een kunstenaar maakt iets dat er eerder niet was en dat er zonder hem nooit geweest zou zijn. Een biomedisch onderzoeker maakt niets nieuws; hij ontrafelt de werkelijkheid, die er al was. Als een archeoloog graaft hij sfinx na sfinx onder het zand uit, nuttig werk dat toevoegt aan onze kennis, maar die sfinx was er al toen hij ging graven en door het graafwerk is er wel iets blootgelegd, maar niets geschapen.

Zelfs een uitvoerend kunstenaar levert een persoonlijker bijdrage dan een onderzoeker. De Beethoven van Brendel klinkt anders dan de Beethoven van Kempf, maar DNA=DNA=DNA. De structuur van DNA, die Watson en Crick in 1953 ophelderden is nog wel wat verfijnd, er zijn wat varianten ontdekt, maar sinds 1953 is er niets wezenlijks aan toegevoegd. Dat betekent niet dat de opheldering van de structuur van DNA een sinecure was. Het vroeg verbeeldingskracht, vindingrijkheid en inzet. Het is ook geen toeval dat twee van de slimste onderzoekers van deze eeuw, Watson en Crick, daarbij een sleutelrol hebben gespeeld. Maar als zij de structuur niet hadden opgelost, dan had iemand anders het gedaan. In de Watson-Crickstructuur van DNA zit niets van Watson en Crick. Was Pauling hen voor geweest, dan had die DNA structuur er net zo uit gezien. Wetenschappelijke resultaten in de biologie zijn nu eenmaal onpersoonlijk. Wat er persoonlijk aan was door de stijl en brille van de onderzoeker, verwaait met de tijd. Uiteindelijk resteert een feit in een leerboek. Vandaar dat onderzoekers niet steggelen over mooi of niet mooi, maar over prioriteit. Wie was eerst? Het is niet interessant om een ontdekking te bevestigen, hoe nuttig zo'n bevestiging voor de wetenschap ook moge zijn.

Zelfs originaliteit is niet altijd vereist voor onderzoek. Er bestaat belangrijk fundamenteel biomedisch onderzoek dat organisatorische vaardigheid en verstand vraagt, maar een minimum aan originaliteit. Niemand zal willen betwisten dat het humane genoom project ons een schitterend zicht zal bieden op de biologische basis van de mens. Maar het is natuurlijk wel voor de hand liggend. Het belang en de aanpak daarvan had door iedereen bedacht kunnen worden. Ook zulke organisatorische research vraagt vindingrijkheid en kennis van zaken, maar originaliteit? Ook zonder één enkele geniale inval wordt de basevolgorde van alle menselijke genen bepaald. Het is een klus die ten dele door al bestaande robots en computers geklaard wordt.

Biologisch onderzoek creëert niets nieuws, maar dat geldt niet voor alle wetenschap. De scheikundige Verhoeven, ook spreker bij het KNAW-symposium, werd niet moe om er op te wijzen dat scheikundigen wel degelijk geheel nieuwe moleculen maken. Ook technologen ontwerpen nieuwe voorwerpen, vliegtuigen, kerncentrales, kunstharten, niet altijd mooi, maar wel nieuw. Alleen astronoom Van den Heuvel kon zich aansluiten bij het sobere beeld van de natuurwetenschap dat ik had geschetst. Ook de natuurkundige beijvert zich om uit te vinden wat er al is en voegt daar zelf niets aan toe. Wel is natuurkunde moeilijker dan biologie, waardoor de persoonlijke bijdrage van genieën groter is. Volgens Van den Heuvel is de algemene relativiteitstheorie van Einstein zo uitzonderlijk onverwacht en geniaal dat waarschijnlijk niemand anders deze theorie had kunnen bedenken, althans in deze eeuw. In de biologie is dat anders. Darwin repte zich om zijn evolutietheorie te publiceren, toen hij hoorde dat Wallace op hetzelfde spoor zat.

Van den Heuvel beklemtoonde ook dat natuurwetenschap geen veredelde vorm van common sense is. De natuur is heel vreemd, veel gekker dan een kunstenaar zou kunnen bedenken. Wij razen met een snelheid van 108.000 km/uur door de ruimte en wij merken daar niets van in onze leunstoel. Dat is volstrekt contra-intuïtief. Dat geldt ook voor grote delen van de biologie. Lewis Wolpert heeft daar een knap en leesbaar boek over geschreven, The unnatural nature of science (Faber and Faber, 1993). Dat contra-intuïtieve maakt dat creatief denken onmisbaar is in de wetenschap.

Serieuze wetenschap gaat verder dan de analyse van gegevens door een computer, omdat een echte wetenschappelijke hypothese iets toevoegt dat niet voor de hand ligt. Dat is ook waarom die hypotheses vaak fout blijken te zijn, met hoeveel aplomb ze ook worden verkondigd. De structuur van DNA kon alleen worden opgelost met behulp van toetsbare hypotheses over hoe dat ingewikkelde molecuul er uit zou zien. IJver was bij die oplossing essentieel, zonder veel feiten kom je niet ver in de biologie, maar welke feiten belangrijk zijn, hangt af van de hypothese die het onderzoek drijft. Biologisch onderzoek is puzzels oplossen, maar zonder dat alle stukjes op tafel liggen. De kunst is om vroegtijdig het eindplaatje te raden en de belangrijkste stukken die missen te zoeken. Dat kan een computer niet, of meestal niet, daar is een inventieve onderzoeker voor nodig. Het is dat vermogen om te bedenken wat er nog niet is, dat de beste onderzoekers en kunstenaars gemeen hebben.

Creativiteit is ook niet vanzelfsprekend in onderzoekers. Er zijn ijverige, slimme onderzoekers, die een leven lang onderzoek doen zonder veel te ontdekken, terwijl andere onderzoekers, niet uitzonderlijk ijverig of slim, vande ene ontdekking in de andere rollen. Het vermogen om iets nieuws te vinden, is niet een simpel en onontkoombaar bijproduct van verstand, ijver en kennis van zaken. Voorstellingsvermogen van het nog onbekende, het vermogen om bekende gegevens te combineren op een niet voor de hand liggende manier, zijn kennelijk specifieke talenten die onontbeerlijk zijn om iets geheel nieuws te bedenken.

Ook in de stijl van wetenschapsbeoefening kan enige creativiteit zitten. Een mooie proef, een elegante hypothese, het zijn veel gebruikte uitdrukkingen in de biochemie die laten zien dat onderzoekers zich kunnen onderscheiden door de kwaliteit van de aangedragen oplossingen. Dat is uiteraard intellectuele esthetiek, maar een kunstige hypothese kan gevoelens oproepen die vergelijkbaar zijn met wat een onderzoeker ondervindt bij een sonate van Beethoven of een bouwwerk van architect Quist.

Stijl en daarmee creativiteit kunnen ook aanwezig zijn in wetenschappelijke artikelen. Niet alleen schrijft de ene onderzoeker beter dan de andere, maar stijl kan ook tot uiting komen in de kwaliteit van de proeven, de precisie en de volledigheid van de bewijsvoering, de logische opbouw van het betoog, het vermogen om dwarsverbanden te leggen met resultaten van andere onderzoekers.

Essentieel zijn al die attributen niet. Een elegante onderzoeker oogst de bewondering van zijn collegae, maar de prijzen gaan naar de onderzoekers die resultaten boeken, elegant of niet. Elegant is ook nog lang geen Kunst. Over kunst wordt alleen gesproken in de biologie als een resultaat wat al te gemakkelijk binnen rolt: 'Als het zo simpel is, dan had ik dat ook wel kunnen bedenken. Dat is geen kunst.'

    • Piet Borst