Vuilbekkende sjamanen; DE ETNOGRAFISCHE FILM BESTAAT HONDERD JAAR

Van zwartwit-beelden van ritmisch trappelende mannen in raffia-rokjes tot close-ups van een ruziënde sjamanen. De etnografische film registreert sinds honderd jaar wat niet in woorden is te vangen.

HET BEELD begint zwart. Dan begeleiden tonen van vreemdsoortige, avantgardistische muziek een eerste lichtstraal naar een vlezig object dat de geprononceerde neus van een gezette, donkere man blijkt te zijn. Hij kijkt recht de camera in. Vervolgens schieten beelden van fraai versierde maskers diagonaal over het doek.

De neus is van Ephraim Bani, afstammeling van de koning en nu chief van Thursday, een van de eilanden in de Torres Straat, ten noorden van Australië. De maskers waren ooit van zijn voorvaderen, maar zijn nu alle in het bezit van Europese musea. Ephraim Bani is naar Europa gekomen om musea over te halen een deel van de cultuurschatten terug te geven of tijdelijk, voor tentoonstelling, af te staan. De film over Bani, 'Cracks in the Mask', gemaakt door de Australische filmer Frances Calvert, werd vertoond in Beeld voor Beeld, het festival voor Visuele Antropologie, dat begin deze maand werd gehouden in het Amsterdamse Soeterijn-theater.

Honderd jaar geleden werd de eerste etnografische film gemaakt, tijdens dezelfde Cambridge Anthropological Expedition die uit de Torres Straat Eilanden 1.250 maskers van Bani's voorouders meenam. Een enkel beeld van die film is in 'Cracks in the Mask' te zien: ritmisch dansende mannen met maskers, gemaakt van het schild van zeeschildpadden. Het eeuwfeest was de organisatoren van Beeld voor Beeld overigens een beetje ontgaan. “Maar”, zegt Dirk Nijland, hoofddocent Visuele Etnografie aan de Leidse universiteit, “als je helemaal correct wilt zijn, moet je nog een paar jaar verder terug, naar 1895. Toen werden, tijdens de Exposition ethnographique d'Afrique Occidentale in Parijs, chronofotografische analyses vertoond van lopende, palmklimmende en pottenmakende vertegenwoordigers van verschillende culturen. Twaalf foto's per seconde.”

In The Native Tribes of Central Australia beschrijven de antropoloog B. Spencer en F.J. Gillen hoe ze in 1901 met een Warwick-filmcamera een 'regen-' en 'kangoeroe-ceremonie' van de Australische Aranda filmden. Spencer stelde de camera op aan de rand van een open plek. “Toen de dansers verschenen”, schrijft hij, “begon ik zo rustig mogelijk aan de handle te draaien. De verleiding was groot om de draaisnelheid aan te passen aan de bewegingen van de dansers. Maar je moest in die dagen, om een succesvol filmer te zijn, je gevoelens juist onderdrukken en proberen je te schikken in de rol van een geoefend orgeldraaier.”

De ontwikkeling van de etnografische film kwam op het festival duidelijk naar voren tijdens een sessie gewijd aan Jean Rouch, een van de grootste namen uit de wereld van de visuele antropologie. De 82-jarige, nog uiterst fit ogende Fransman was prominent aanwezig en leverde geestdriftig commentaar op zijn films. Zijn werk varieert van zuiver etnografische (wetenschappelijke) films van bepaalde rituelen tot een meer subjectieve etnografie met portretten van mensen, onder wie Margaret Mead. Soms ook gebruikt hij fictie als middel om de 'werkelijkheid' weer te geven, zoals in 'Moi, un noir', over het dagelijks leven èn de dagdromen van een jonge gastarbeider in Abidjan.

Deze vorm van 'gespeelde documentaire' voert terug naar de film die Rouch als jongen al bijzonder interesseerde: 'Nanook of the North' (1922) van Robert Flaherty. Daarin spelen leden van een Inuit-familie bij de Hudsonbaai in Canada enkele onderdelen van hun dagelijks leven speciaal voor de camera na. Rouch is overtuigd van het nut van deze methode, die een specifieke werkelijkheid oplevert die hij 'cinéma vérité' noemt. Nijland deelt die opvatting. In 1965 maakte hij bijvoorbeeld 'Sinti' (1965), over zigeuners in Nederland. Tijdens het maken van de film kwam Nijland met een man aan de praat over vroeger. De man vertelde hem dat hij altijd met zijn broers naar de paardenmarkt moest en dan moest 'voordraven'. Nijland: “Op een gegeven moment staat hij op. Zijn woorden schieten te kort. Hij beeldt dat zo uit dat ik dat paard echt zie lopen. Daar gaat het om. In de Amerikaanse visuele antropologie heet dat 'acted-out interview': men vraagt iemand iets voor te doen. In Nederland zitten we met de remmende factor van het calvinisme in de wetenschap, waarin woorden belangrijker zijn dan beelden. Terwijl Nederland juist zo'n fantastische schildersdocumentatie heeft.”

Binnen de universitaire wereld moge de zuiver etnografische film nog steeds het uitgangspunt zijn, een flink aantal films dat tijdens Beeld voor Beeld werd vertoond hebben een meer documentair karakter, gemaakt voor een breder publiek. Deze films zijn vaak niet door antropologen maar door filmers gemaakt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de twee films over sjamanen en hun kinderen: The Spirit Doesn't Come Anymore (1997) van de Nepalees Tsering Rhitar en Father, Son and Holy Torum (1997) van de Estse filmer Mark Soosaar. In Tsering Rhitars film gaat het over een conflict in het gezin als de zoon zijn vader niet wil opvolgen als sjamaan. 'Father, Son and Holy Torum' legt de geestelijke nood van het sjamanen-echtpaar Sosho en Tohe vast, dat zich in de ijskoude taiga van West-Siberië bezighoudt met zijn rendieren en het aanroepen van Torum, de heilige God en vader. In de weer met drums en berenkoppen trachten zij met hun zoon Petja te communiceren. Petja is zakenman en woont met zijn gezin in de olie-stad Surgum. Hij bezoekt zijn ouders nog maar zelden. De oliemaatschappij zal het leefgebied van zijn ouders in beslag nemen en hij is niet in staat hen over te halen zich ook in de stad te vestigen. Vooral moeder Tohe neemt het Petja kwalijk dat hij niet voor zijn ouders opkomt. De verwensingen stromen uit haar mond, terwijl de camera de halflege wodka-fles vastlegt die de vrouw in haar onvaste hand houdt. De Engelse ondertiteling liegt er niet om: “Cocksucker, I'll kill you, get sucked, I'll ripp off your prick.”

CINE-TRANCE

De filmer John Bishop, die samen met zijn vrouw, de antropologe Naomi Bishop, de film 'Himalayan Herders'(1996) maakte, vindt dat antropologen vaak tekort schieten bij het vertellen van een verhaal. “Het is bijna onmogelijk om een goede antropoloog èn een goede filmer te zijn. Ik heb vaak discussie over details die de antropoloog er in wil hebben, maar die ik film-technisch niet goed vind.” Maar in wetenschappelijke kring kiest men toch liefst voor de antropoloog. Want hij weet wanneer en waar te filmen - als hij langdurig in het veld onderzoek heeft gedaan. De antroploog Rouch noemt zijn methode 'cine-trance', waarin de camera net als de mensen die hij filmt tot leven komt. Bishop is het daarmee eens: “Je kunt alleen sociaal gedrag observeren als je er zelf middenin zit. De cameraman moet er mentaal bij betrokken zijn en steeds kiezen. Je moet reageren op wat de mensen doen. Dat maakt het onwetenschappelijk, want je blijft niet op afstand, maar het geeft ook een accurater portret van de sociale interactie.” Alleen dan kan je het treffen dat een sjamanen-vrouw recht in de camera kijkt en tegen haar zoon zegt (in de ondertiteling): “Damned Petja! Did you forget who wiped your bottom? Who wipes your bum now?”

    • Arlette Kouwenhoven