Vrij zwevende jojo

ER HEERST een jojo-rage, is er in de media bericht. De jojo is weer helemaal in, jojoën kàn weer. In Japan worden honderdduizenden jojo's per maand verkocht. Binnenkort zijn er Europese jojo-kampioenschappen. Iedereen jojoot.

Maar aan het straatbeeld van een willekeurige stad als Amsterdam blijkt toch weinig veranderd. Voor zover er van verhoogd jojoën sprake is, is dat te vinden op de basisschool die vroeger lagere school heette. De derde- en vierdeklassers, die tegenwoordig vijfde- en zesdegroepers heten, die jojoën wel eens. De eerste- en tweedegroepers hebben er nog niet de motoriek voor en wagen zich alleen binnenshuis aan de jojo. De zevende- en achtstegroepers tobben over het uiteenvallen van de Spice Girls.

Ziedaar het verschil met Amerika waar het voornamelijk highschool-leerlingen en volwassen studenten zijn die jojoën. En waar het ècht een rage is, zoals duidelijk wordt zodra men via de elektronische snelweg naar informatie over de 'yo-yo' zoekt: duizenden en duizenden babbelbriefjes.

De Nederlandse volgroeide die graag het zekere voor het onzekere neemt en stilletjes het jojoën onder de knie wil krijgen, moet weten dat er twee soorten jojo zijn: de sleepers en de non-sleepers. Bij die laatste is het eind van het jojo-koordje onverschuifbaar en onwrikbaar vastgemaakt aan het smalle asje van de klimtol zodat die, eenmaal onderaan beland, altijd vanzelf weer terugklimt naar boven. Hij kan immers niet anders. Voor de niet-ambitieuze jojoër-in-spe lijkt zo'n jojo een uitkomst, maar insiders weten dat een non-sleeper eigenlijk nergens goed voor is.

Een goede jojo draait met zijn as in een enigszins ruime lus die vanzelf ontstaat als een dun, niet veerkrachtig koord van 230 centimeter wordt dubbelgeslagen en in elkaar gedraaid. De as van de jojo kan niet glad genoeg zijn en het is in deze eigenschap dat de moderne plastic of lichtmetalen jojo de vooroorlogse houten jojo de baas is. Een jojo met een gladde as die draait in een lus raakt, zonder speciale voorzorgen, aan het eind van elke afdaling in een 'slaapstand'. Hij tolt vrijwel onzichtbaar als een gek om zijn as, maar komt pas weer naar boven toe als een ruk aan het koord wordt gegeven. In plaats van te rukken kan men ook een klap geven op de rug van de hand die de jojo vasthoudt. Die tip staat al in de American Journal of Physics van 1951 (vol. 19, pagina 126) waar Irving Kofsky volgens eigen zeggen voor het eerst wetenschappelijk aandacht aan de 'yo-yo' geeft.

Dat mag waar zijn voor de VS, waar de yo-yo pas eind jaren twintig arriveerde en door Donald F. Duncan Inc. in productie werd genomen, in Europa zal toch wel eerder over het speelgoed zijn nagedacht. Daar is het al eeuwen in gebruik onder meer onder de naam Bandalore, Quiz, Incroyable en L'Emigrette. Het Nederlandse Etymologisch Woordenboek gaat ervan uit dat 'jojo' komt van het Franse 'faire joujou'. Amerikanen denken dat 'yo-yo' Filippijns is. Of Chinees.

Wie langer dan een paar seconden wil jojoën moet energie aan zijn jojo toevoegen. Dat kan door hem elke keer vanuit zijn laagste stand hard omhoog te trekken, of ook andersom door hem vanuit de hoogste stand naar beneden te werpen. Dat laatste lukt alleen als het losse eind van het koord vooraf om wijs- of middelvinger was geslagen. Na een half uurtje hebben de meesten het jojoën wel in de vingers en kan aan de eerste stunt worden begonnen. Kofsky adviseert om het koord van de jojo, als die halverwege de weg naar boven is, opeens los te laten. Dan rolt de jojo vrij zwevend zelf zijn touwtje op en laat zich vervolgens makkelijk vangen. Op omstanders maakt dat al veel indruk.

Modern jojoën bestaat vooral uit veel trucs waarbij het onzichtbaar tollen in de slaapstand voor de effecten zorgt. De folders geven voorbeelden en sommige winkels kunnen ook een video laten zien. Ten slotte is er Internet waar geen mogelijkheid onbesproken blijft.

Opmerkelijk is dat de jojo zo constant is gebleven. De jojo's die nu voor tientallen guldens door die lieve mevrouwen van de hebbedingenwinkel worden aangeboden (in de VS kost een goede yo-yo drie dollar) verschillen noch in afmetingen noch in gewicht of vorm van de jojo's van 1950. De diameter is 5,5 à 6 centimeter, het gewicht varieert van 40 to 60 gram. De belangrijkste echte innovatie zit in de gladheid van de as en de overige gladheid die de wrijving met het koord vermindert. Sommige jojo's zijn uitgerust met een centrifugaal-contact dat op zeker moment een lichtje laat branden.

Dankzij zijn eenvoudige vorm (in essentie een dubbele cilinderschijf die om een as van verwaarloosbare massa draait) is de gewone op- en neergaande beweging van de jojo eenvoudig te analyseren en veel leerboeken klassieke mechanica doen dat dan ook. Het rekenwerk levert als contra-intuïtieve uitkomst dat de spanning in het koordje bij neerwaartse en opgaande beweging steeds even groot is: een klein beetje lager dan het gewicht van de jojo. Bepalend is uitsluitend de verhouding tussen de diameter van de as waarom de jojo draait en de diameter van de gehele jojo. Is die bijvoorbeeld 0,18 dan is de spanning maar 94 procent van het gewicht. Met een Pesola-veerbalans is het verschil misschien te meten.

In de 'Yomega High Performance' jojo (35 gulden) zijn twee gewichtjes ondergebracht die bij een hoog toerental behoren uit te klappen. Of ze dat ook werkelijk doen is zeer twijfelachtig, op de stills van een videocamera bleef het onzichtbaar. (Een fototoestel is natuurlijk veel sneller.) Kennelijk verwacht de fabrikant een speciaal effect van concentratie van de jojomassa aan de periferie van de tol. In de 'Yomega Power Spin', ook duur, is dat gemaximaliseerd. Bij gelijkblijvende massa en diameter verdubbelt het op zijn best het zogenoemde traagheidsmoment van de tol. Zulke jojo's versnellen bijna twee keer zo langzaam als de gewone jojo's. Het is niet waarschijnlijk dat de lieve mevrouw van de hebbedingenwinkel weet waar dat goed voor is.

    • Karel Knip