VERVOEGEN OP HET SCHERM

VOOR SOMMIGE onderdelen van de lesstof kan de computer de rol van de leerkracht overnemen. Neem de werkwoordsvormen, een taai onderdeel dat op de basisschool veel tijd in beslag neemt. En ook dan nog vaak tot magere resultaten leidt, gezien de vele fouten die kinderen - maar ook (goedgeschoolde) volwassenen - met vervoegingen maken.

Onderwijspsycholoog Jan van der Linden promoveerde onlangs op een onderzoek naar een computerprogramma waarin de complete instructie voor het aanleren van de spelling van werkwoorden is samengebracht. Kinderen uit de zesde of zevende groep, die nog niets van werkwoordspelling weten, kunnen zich met behulp van dit programma stap voor stap aanleren hoe de grammatica van de werkwoorden werkt. Extra hulp van de leerkracht is daarbij doorgaans niet nodig. “De meeste computerprogramma's voor de basisschool zijn alleen geschikt om leerstof die door de onderwijzer is uitgelegd, nog eens extra te oefenen”, zegt Van der Linden. “Dat zijn de zogenoemde drill-and-practice-programma's. Programma's die kinderen nieuwe vaardigheden leren, zijn nog zeldzaam. In het bedrijfsleven is men daar veel verder mee.”

Dat is nog steeds zo, weet Van der Linden, hoewel Solowerk, zoals zijn instructieprogramma heet, al acht jaar geleden klaar was. Het aanbod van dit soort interactieve computerprogramma's voor het basisonderwijs is volgens hem 'allerbelabberdst'. Ondanks de vele nota's, initiatieven en miljoenen die de laatste jaren aan de invoering van de computer in het onderwijs zijn besteed. De huidige toepassingsmogelijkheden van de computer, bijvoorbeeld voor het ontwikkelen van programma's die zich aanpassen aan de kenmerken van de individuele leerling, worden niet ten volle benut. Meer nog dan een promotie van Solowerk, dat op een aantal punten zeker verbetering behoeft, is het proefschrift van voormalig onderwijzer Van der Linden een pleidooi om meer geld en energie te steken in de ontwikkeling van deze interactieve computerprogramma's die een deel van het leerproces voor hun rekening nemen.

“Er is tot nu toe te veel confectiewerk op de markt gedumpt” aldus de promovendus die een veel breder gebruik van de computer voor zich ziet. Bijvoorbeeld met programma's die nagaan waar de fouten van leerlingen ontstaan en daar specifiek oefenmateriaal voor aanbieden. Maar het is ook denkbaar dat een programma zelf vaststelt wanneer een leerling tussentijds nieuwe instructie nodig heeft, of dat op een andere manier van lesgeven overschakelt als een kind vastloopt in de leerstof. Het is zelfs mogelijk dat leerlingen vragen stellen aan de computer. Voorwaarde voor een dergelijke interactieve aanpak is wel dat het programma de denkprocessen van zijn gebruikers kent. En dat vergt veel vooronderzoek, veel didactische kennis en veel ontwikkelingstijd. “En daar ontbreekt het momenteel aan.”

Van der Linden selecteerde 88 leerlingen van verschillende basisscholen voor zijn experiment met Solowerk. Gedurende zeven maanden werkten zij één uur per week met het programma. Geen enkele leerling had bij aanvang les gehad in het vervoegen van werkwoorden en met de leerkrachten werd afgesproken dat zij tijdens de proef ook geen aanvullende instructie zouden geven. Er werden vier groepen geformeerd: goede spellers met weinig faalangst, goede spellers met veel faalangst, slechte spellers met veel en slechte spellers met weinig faalangst. Alle kinderen mochten met zowel het standaardprogramma als het flexibele programma werken. In het flexibele programma konden ze niet de opbouw van de lessen beïnvloeden, maar wel de hoeveelheid instructie die ze wilden hebben en de mate waarin ze door de computer gecorrigeerd wilden worden.

De hypothese van Van de Linden dat goede spellers met weinig faalangst meer profijt zouden hebben van de flexibele versie dan van de standaardversie werd opmerkelijk genoeg niet bevestigd. “Dat komt” verklaart hij, “omdat de goede spellers met weinig faalangst het leerproces wel konden beïnvloeden, maar de formele structuur van het programma vast lag. Ze konden de volgorde van de verschillende onderdelen niet zelf bepalen. In die zin sloot het programma nog onvoldoende aan op de denkprocessen van deze leerlingen.”

Aan de andere kant, zo stelde Van der Linden vast, bleken zwakke spellers met veel faalangst duidelijk van de uitgebreidere standaardversie te profiteren, al hadden ze er meer tijd voor nodig dan de andere kinderen. Groot voordeel van een computer is dat deze leerlingen hun eigen tempo kunnen bepalen. Zwakke spellers bleken relatief meer profijt te hebben van het programma dan sterke spellers. Dat bleek onder meer uit de vooruitgang die ze boekten met zelf geschreven teksten tijdens de natest. Die resultaten waren overigens over de hele linie licht teleurstellend, moet de promovendus toegeven. “Dat kan veel beter. Bijvoorbeeld door kinderen gedurende het programma vaker wat ze geleerd hebben zelf te laten toepassen.”

Het enthousiasme van de kinderen om les te krijgen van de computer heeft hij eveneens onderzocht. Op een enkele uitzondering na behielden alle leerlingen hun motivatie en omdat ze gemiddeld twintig uur achter de computer doorbrachten wijt hij dit niet aan de nieuwigheid hiervan. De gemeten verschillen in motivatie lagen niet tussen goede en zwakke spellers, maar wel tussen leerlingen met veel en weinig faalangst. “Kinderen met veel faalangst vinden het niet prettig als ze aan zichzelf worden overgelaten”, stelt Van der Linden vast.

De algemene conclusie van zijn onderzoek luidt dat het gebruik van Solowerk de werkwoordspelling van de onderzochte kinderen duidelijk verbetert en dat het dus mogelijk is met een dergelijk - verbeterd - programma een afgerond deel van de lesstof door de computer te laten verzorgen. Of de prestaties van deze kinderen nu beter zijn dan van kinderen die dezelfde stof van een leerkracht onderwezen krijgen, heeft Van der Linden niet onderzocht. Maar op grond van zijn ervaringen op de scholen durft hij te stellen dat Solowerk en leerkracht ongeveer dezelfde resultaten boeken. “Toch is dat positief, een docent zou de tijd dus aan andere zaken kunnen besteden waarvoor een menselijke inbreng belangrijk is, zoals begrijpend lezen en sociale vaardigheden.”

Of leerkrachten nu zo gecharmeerd zijn van 'docent-vervangende' computerprogramma's betwijfelt Van der Linden. Er heerst veel scepsis bij docenten die zich snel in hun rol van 'allesweter' voelen aangetast. “De computer is nog lang geen geaccepteerd leermiddel in de orde van een pen of een schoolbord. Het hangt bovendien erg van de individuele docent af hoe vaak leerlingen met computers werken. Het lijkt er langzamerhand op dat ze buiten het onderwijs meer ervaring met computers opdoen.”

Dat is jammer, want daardoor bestaat er nauwelijks vraag uit het onderwijs naar goede programma's en wordt de markt overstroomd met “materiaal dat door kleine en grote leveranciers wordt gefabriceerd, maar waar geen enkele structuur in zit”. Maar reden om te haasten is er eigenlijk niet, moet Van der Linden vaststellen. “Want scholen zijn nog lang niet toegerust om computers op grote schaal in te zetten bij het leerproces. In Nederland is er één computer op 38 leerlingen. Hoe dat over vier jaar één computer op de tien leerlingen moet zijn, is mij een raadsel.”

    • Michaja Langelaan