Slecht bestuur

In het jargon van internationale hulpinstellingen als Wereldbank en Internationaal Monetair Fonds zijn het gevleugelde termen: good governance en bad governance, ofwel goed bestuur en slecht bestuur. Zonder good governance kan elk land een behoorlijke economische ontwikkeling vergeten.

Wat is eigenlijk de schade van 'slecht bestuur' voor de groei van een nationale economie?

Waar slecht bestuur toe kan leiden, valt bijvoorbeeld te lezen in het niet gepubliceerde rapport van de Wereldbank over Suriname onder de titel A strategy for sustainable growth and poverty reduction. De economie van Suriname was volgens de Wereldbank-deskundigen de laatste dertig jaar “een van de slechtst presterende” in de Latijns-Amerikaanse en Caribische regio.

Een wrange conclusie voor een land dat kan beschikken over een miljoenenstroom aan Nederlands ontwikkelingsgeld en een arsenaal aan natuurlijke rijkdommen. Op grond van de laatste factor rangschikte de Wereldbank Suriname enkele jaren geleden zelfs als zeventiende op een wereldranglijst.

De deskundigen van de Wereldbank noemen in hun rapport de dominantie van de bauxietsector en overexpansie van de overheidssector als enkele van de factoren die de vooruitgang van Suriname verhinderen.

In de periode van de militaire dictatuur in de jaren tachtig toen de Nederlandse hulp ophield, was het moeilijk ontwikkeling tot stand te brengen. Maar ook in de tien jaar erna is Suriname er nooit in geslaagd een structurele economische omwenteling te realiseren. De rijkdom aan mineralen en de Nederlandse hulp zorgden in Suriname altijd voor easy money, wat leidde tot een sterk op consumptie gerichte economie. Waar buurland Guyana en Trinidad er wel in slaagden een meer gediversifieerde productiebasis te scheppen, deed Suriname hiertoe nauwelijks serieuze pogingen. Iets wat ook donor Nederland zich mag aantrekken.

Vanaf 1994 zorgde een democratisch gekozen regering met een gezonde geldpolitiek eindelijk voor macro-economische stabiliteit, maar deze wordt volgens de Wereldbank sinds kort weer ondermijnd door het uit de hand lopen van de overheidsfinanciën. Ook kent Suriname nog enorm veel bureaucratische barrières voor internationale handel en particuliere investeringen, waarbij een weinig transparante regelgeving alle ruimte bieden voor willekeur en corruptie. Volgens het Wereldbankrapport heeft Suriname zelfs “een van meest ontwrichte economische omgevingen” van de hele regio.

In een klimaat van clièntelisme met etnisch georiënteerde partijen was er ook nooit veel behoefte aan structurele veranderingen. Zolang alle Surinaamse bevolkingsgroepen via hun partijvertegenwoordigers maar aan hun trekken kwamen. In dat klimaat kon de overheidssector (inclusief talrijke staatsbedrijven) ongeremd uitdijen, waardoor nu ruim de helft van de Surinaamse arbeidskrachten de ambtenarenstatus heeft. Desondanks is de publieke dienstverlening in Suriname volgens de Wereldbank “een van de zwakste” in de Caribische regio. Guyana en Trinidad kennen ook etnisch georiënteerde partijen, maar daar is de overheidssector gesaneerd. De Wereldbank stelt vast dat in Suriname in tegenstelling tot elders in de regio nog nauwelijks is gewerkt aan privatiseringsprogramma's.

Staatsbedrijven leggen door hun verliesgevendheid vaak een groot beslag op overheidsbudgetten, waardoor vaak te weinig middelen beschikbaar zijn voor belangrijke uitgaven als onderwijs en gezondheidszorg. In Suriname doet zich op het gebied van onderwijs echter iets merkwaardigs voor.

Het land geeft ongeveer 5 procent van zijn bruto binnenlands product uit aan onderwijs, in de jaren tachtig zelfs bijna 8 procent. Dat is veel meer dan de 3 à 4 procent in de meeste andere Caribische landen. Toch volgt volgens het Wereldbankrapport slechts 40 procent van de Surinamers tussen de 12 en 19 jaar voortgezet onderwijs, dat is na Haïti het laagste percentage in de hele regio. De Wereldbank noemt als oorzaken onder meer slecht opgeleid onderwijzend personeel, een slecht functionerende inspectie, slecht overheidsmanagement, te weinig aandacht voor onderwijs in de taal van de eigen etnische groep naast het Nederlands, en volkomen verouderde leerplannen.

Het verlies aan human capital en daarmee economische groei als gevolg van slecht onderwijs valt nauwelijks te onderschatten. De werkelijkheid is voor landen als Suriname zelfs nog treuriger. Niet alleen produceren landen met een slecht bestuur minder menselijk kapitaal, het menselijk kapitaal wordt er bovendien op een veel minder efficiënte manier aangewend dan in goed bestuurde landen. Dat blijkt uit becijferingen in een recente (bij de OESO verkrijgbare) studie onder de titel Human capital and growth: the cost of rent-seeking activities.

Volgens de onderzoekers Berthélemy, Pissadires en Varoudakis hebben getalenteerde mensen in landen met een slecht bestuur minder kans zich te ontplooien in productieve ondernemingsactiviteiten. Ze zullen hun talent verspillen in overheidsbanen. Of ze zullen zich uitsluitend richten op financieel gewin door gebruikmaking van de weinig doorzichtige regelgeving in hun slecht bestuurde land. De onderzoekers becijferen in hun studie dat slecht bestuurde landen alleen al door deze inefficiënte aanwending van menselijk kapitaal jaarlijks bijna één procentpunt groei mislopen.

Volgens het eerder aangehaalde Wereldbankrapport bedroeg in 1996 het jaarlijks inkomen per hoofd in Suriname 1050 dollar. Dat is tweederde minder dan bij de onafhankelijkheid in 1975.

    • Hans Buddingh'