Reformatie (2)

De protestanten mogen dankbaar zijn voor het duidelijke en theologisch goed onderbouwde stuk van Van Wijnen. Het lijkt erop dat de schrijver zich gesteund weet door de opmerkingen van de gynaecoloog Kruyver over deze zaak, eerder op de opiniepagina, waarin de r.k. opvatting over de wezensverandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus in strijd met de natuurwetenschappelijke wetten wordt genoemd. Echter het bezwaar van de protestanten, zoals men het ook in de Heidelbergse Catechismus terugvindt, berust niet op besef van natuurwetenschappelijke wetten, maar daarop dat de mis gezien wordt als een verloochening “der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus” (Heidelbergse Catechismus, zondag 30).

Uit dezelfde zondag blijkt dat de Reformatie de opvatting veroordeelde als zouden “de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving van zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de mis priesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is” (ook zondag 30 H.C.). Het is duidelijk dat de Reformatie hierin een miskenning van de algenoegzaamheid van Gods genade in Jezus Christus zag en een ondergraving van de heilszekerheid der gelovigen, alsook dat door deze r.k. opvatting belangrijkheid en macht der kerk, dus der geestelijkheid, veel groter worden dan zij behoren te zijn.

    • G.E. Huizing