Op zoek naar een nieuw nationaal besef

Zowel de natie als de staat verkeert in een crisis. Ze zijn door het proces van Europeanisering en globalisering een deel van hun functie kwijtgeraakt. De burgers raken steeds meer georiënteerd op thema's die de nationale staat overstijgen en die heroriëntatie leidt tot verlies van de traditionele nationale identiteit.

William Wallace vindt dat daarom gestreefd moet worden naar de aanvaarding en bevordering van een nieuwe, meervoudige identiteit, die zowel Europees als regionaal is.

In heel Europa dreigt de nationale staat in een crisis te geraken. De ongecompliceerde mythologie van de nationale geschiedenis die onze grootouders werd onderwezen is niet geloofwaardig meer, maar we hebben geen alternatief waarmee we onze kinderen kunnen bijbrengen dat zij allen tot een nationale gemeenschap behoren. Raciale, etnische en godsdienstige verscheidenheid is in alle Europese steden een realiteit die regeringen ertoe dwingt zich te buigen over netelige kwesties van nationale identiteit en staatsburgerschap.

De grenzen en grenspalen die de ene nationale staat van de andere scheidden, zijn weggehaald. De munten die de soevereiniteit van een nationale economie symboliseerden, staan op het punt te verdwijnen. De massale legers - naties onder de wapenen - hebben we niet langer nodig, evenmin als de staatsindustrieën die een groot deel van de burgers aan het werk hielden. Regeringen moeten dus de begrippen natie en staat nieuwe inhoud geven, en de relatie tussen beide heroverwegen.

Nationale identiteit werd gevormd door onderwijs, door het ontstaan (of het verzinnen) van een nationale geschiedenis, en door actieve modernisering van het bestuurlijk apparaat. Ze moet voor iedere nieuwe generatie opnieuw worden opgebouwd, door wat er op openbare scholen wordt onderwezen, door de symboliek van nationale gedachtenis en staat die door de regering wordt gepropageerd. Een centraal element in de huidige crisis van de nationale staat is dat alle Europese regeringen het vertrouwen in de geschiedenis en symboliek van vroeger hebben verloren, maar niet goed weten wat ze ervoor in de plaats moeten stellen.

De crisis van de staat is in tal van opzichten fundamenteler dan die van de natie. Een eeuw geleden omvatte de centrale functie van de soevereine staat de verdediging van het nationaal grondgebied, de handhaving van de binnenlandse openbare orde, de handhaving van een duidelijk onderscheid tussen staatsburgers en vreemdelingen, de regeling van het buitenlands verkeer tussen de nationale munt en banken in den vreemde, de bevordering en bescherming van de nationale economie, het innen van belastingen en herverdeling in de vorm van openbare investeringen en nationaal welzijn. De soevereine staat was oppermachtig op het terrein van veiligheid, maatschappelijke orde en economische strategie. Maar al deze functies worden nu gedeeld met andere regeringen of zijn teloor gegaan in het proces van Europese en mondiale markten. Het Verdrag van Maastricht bevat bepalingen over politietaken, wetgeving, rechtspraak, belastingheffing, burgerrechten, grenscontrole, geld, buitenlands beleid en defensie.

Staat en natie waren met elkaar verbonden door onderwijs, staatsburgerschap, militaire dienstplicht en sociale voorzieningen. De staat bood veiligheid en eiste van zijn kant loyaliteit. Bismarck in Duitsland en Lloyd George in Engeland begrepen dat hun staat de loyaliteit van de arbeidende volksmassa's in de steden in vrede of oorlog alleen kon afdwingen wanneer hun als burgers duidelijke economische voordelen werden geboden. Regeringen die hervorming van de sociale zekerheid of verlaging van de ouderdomsuitkeringen ter hand nemen, verzwakken daarmee de banden die de nationale gemeenschap bijeenhouden binnen het staatsbestel.

Onze sociale zekerheidsstelsels, en zoveel van wat onze naties en onze staten vroeger bijeenhield, zijn echter ontworpen voor een tijd die zich kenmerkte door zware industrie, een massamaatschappij, ondergeschiktheid van de vrouw en een vroege dood. Ze zijn niet gemakkelijk in te passen in een tijd waarin de meeste nieuwe werkgelegenheid ontstaat in de dienstverlening, informatietechnologie en communicatie en waarin steeds meer burgers in de loop van hun werkzame leven meermalen van werkkring en beroep moeten veranderen.

De centrale paradox is dat onze burgers de voordelen van een wereldmarkt en mondiale communicatie wensen zonder afstand te doen van de zekerheid en het besef van afzonderlijke nationale gemeenschappen die door deze ontwikkelingen worden bedreigd. Ze vragen van hun regeringen hen te beschermen tegen de krachten van mondiale economische en sociale veranderingen, maar tegelijkertijd willen ze de mogelijkheden benutten die deze verschijnselen bieden: goedkoper reizen en communiceren, hogere inkomens voor degenen die over veel gevraagde capaciteiten beschikken.

Een van de diepe kloven in onze samenlevingen is die tussen degenen die de opleiding, vaardigheden en mogelijkheden hebben om hun voordeel te doen met de internationale integratie en degenen die de boot missen - voor wie de mondialisering verlies van werkgelegenheid, dalende inkomens en slinkende uitkeringen betekent. De opkomst van het reactionaire nationalisme in al onze landen komt voort uit mensen die het ontbreekt aan bekwaamheden, banen en economische of sociale zekerheid. Mensen die zich een gouden eeuw fantaseren waarin staten voor al hun burgers zouden hebben gezorgd, waarin regeringen een scherp onderscheid maakten tussen de eigen burgers die ze bescherming boden en buitenstaanders die op het tweede plan gezet werden.

Een tweede paradox is dat loyaliteit, identiteit, vertegenwoordiging en verantwoordingsplicht - de democratische grondslagen van de moderne nationale staat - nog sterk gericht zijn op de lokale en nationale overheden, ook al zijn markten, productiemiddelen, eigendom en sociale communicatiepatronen ingrijpend veranderd. Een derde van de bevolking van Nederland verlaat jaarlijks in het eerste weekeinde van augustus het land, ervan uitgaand dat het grondgebied waarover ze naar hun vakantiebestemming reizen vriendschappelijk en veilig is. Een kwart van de Britse werknemers is in dienst bij buitenlandse ondernemingen. Maar men voelt zich Nederlander of Brit, eerder dan Europeaan, laat staan kosmopoliet. Men stemt voor of tegen de eigen regering, afhankelijk van de wijze waarop de regering het bewind heeft gevoerd over een nationale economie die ze allang niet meer geheel onder controle heeft, of de binnenlandse orde heeft bewaard in een tijd van open grenzen.

Hoe moeten onze regeringen dan een nieuw nationaal besef kweken dat rekening houdt met de beperkingen van de Europese regelgeving binnen een mondiale economie, en met de realiteit van een sterk gedifferentieerde samenleving waarin zich steeds meer migratie en gemengde huwelijken voordoen? Veel van de oude symbolen en mechanismen zijn niet bruikbaar meer. Sommige - de nationalistische mythen over gemeenschappelijke herkomst en nationale stereotypen - zouden funest zijn als ze opnieuw uit de kast werden gehaald. We moeten een nieuwe basis voor het bestaan als natie vinden, of beter gezegd misschien voor de afbakening van lokale en nationale gemeenschappen waarbinnen men een zeker besef van gemeenschappelijke identiteit en mentaliteit bezit.

Een deel van de oplossing bestaat in het aanvaarden en stimuleren van een meervoudige identiteit en loyaliteit. De 19de-eeuwse nationale staat eiste een absolute loyaliteit die paste bij absolute soevereiniteit. Nu kennen we een gedeelde soevereiniteit en onze politieke leiders zouden er goed aan doen hun burgers te stimuleren er verschillende collectieve identiteiten op na te houden.

Er is door regeringen nauwelijks iets gedaan om een breder besef van Europese identiteit te kweken. Symbolen ontbreken nog. De Europese Gemeenschap is vaker door regeringen als zondebok gebruikt dan als voorwerp van trots. Misschien zal de realiteit en symboliek van de euro iets veranderen aan de algemene stemming - maar dat alleen is niet genoeg. Veel uitgebreider uitwisselingsprogramma's voor scholieren zouden onder de jonge generaties een sterker besef van saamhorigheid kunnen doen ontstaan.

De betrekkingen tussen Duitsland en Frankrijk zijn in één generatie ingrijpend veranderd, doordat de twee regeringen uitwisseling bevorderden en doordat zij doelbewust en ostentatief met elkaar samenwerkten. Slechts drie procent van de Europese studenten studeert thans enige tijd in het buitenland. Als we dat zouden verdubbelen, en nog eens zouden verdubbelen, zou dat een eerste aanzet kunnen zijn tot het kweken van een Europese identiteit.

Een ander deel van de oplossing blijkt al uit de terugkeer van de regionale identiteit binnen de nationale staten. Het is in tal van opzichten eenvoudiger zich te identificeren met een regio van drie à vijf miljoen mensen dan met een staat van veertig à vijftig miljoen, laat staan tachtig miljoen inwoners.

Omdat een grote staat niet langer nodig is voor de nationale defensie of bescherming van de nationale economie, heeft het meer zin regionale ontwikkeling te bevorderen en op dat niveau de samenwerking tussen industrie, universiteiten en overheden te stimuleren. Het Verenigd Koninkrijk maakt thans ruimte voor Schotland en Wales om met een eigen regering hun regionale identiteit te vertegenwoordigen en te versterken. Ik verwacht dat de noordelijke en westelijke graafschappen in Engeland weldra een gelijksoortige behandeling zullen eisen. De vroegere Oost-Duitse Länder in Duitsland zullen nog geruime tijd een eigen identiteitsbesef houden. Het was misschien wijzer geweest als de Duitse overheid dit had getolereerd en zelfs gestimuleerd toen het land was herenigd, in plaats van een verongelijkte bevolking haar West-Duitse opvattingen en instellingen op te dringen.

Een volledige oplossing vereist echter meer. Die vereist een nieuwe definitie van het begrip 'natie', meer op het vlak van democratische en burgerschapsrechten dan op dat van etnische of culturele overerving. Laten we dit na, dan raken we onherroepelijk verstrikt in een politiek van scheidslijnen en uitsluiting in onze steden, van 'inheemse' werklozen die hun frustraties botvieren op 'buitenstaanders'. Europese staten herbergen thans al zo'n tien miljoen moslims, van wie een groot aantal daar ook geboren is. Er zijn bijna drie miljoen EU-ingezetenen van Turkse en 1,5 miljoen van Marokkaanse afkomst, en soortgelijke aantallen wier ouders en grootouders uit Algerije, Pakistan, India, Bangladesh, West-Afrika of China afkomstig waren. De jongere generatie groeit ofwel op als Europeanen en als Duitsers, Nederlanders, Fransen of Belgen, of ze groeien op als vervreemde buitenstaanders, die noch bij de natie horen waarin ze zijn geboren, noch bij die welke hun ouders hebben achtergelaten.

Groot-Brittannië en Nederland hebben een voorbeeld gegeven waarmee andere Europese landen wellicht hun voordeel kunnen doen. Het staatsburgerschap van een Brit is verwoord in termen van geboorteplaats en democratische rechten, ongeacht of zijn of haar ouders Pools waren of Oekraïens, Chinees of Nigeriaans. Mijn kinderen hebben op een grote school in Londen gezeten, waar alle studenten Britten waren, maar waar één op de vier een islamitische Brit is en tal van leerlingen orthodoxe, hindoeïstische en boeddhistische Britten waren.

De toets van het nationaal besef moet zijn in hoeverre iemand de verplichtingen van het burgerschap accepteert, door een vaste woonplaats binnen het nationale grondgebied en deelname aan de nationale gemeenschap en economie. In ruil hiervoor ontvangt men burgerrechten, waaronder volledige aanvaarding binnen de nationale gemeenschap. En dat is het zwaarste onderdeel van de nieuwe definitie van het begrip 'natie' waarvoor onze regeringen zich nu gesteld zien. Maar in tal van opzichten is het tevens het belangrijkste voor de vorming van stabiele, veilige gemeenschappen voor de volgende, kleurrijke generatie.

    • William Wallace