Militairen (1)

Met verbazing heb ik het artikel 'Opleiding: geen' (Z 6 juni) gelezen, waarin de heer Schulten vele kreten slaakt die geen hout snijden. In een van mijn vorige functies was ik commandant van het oudste 'bbt-bataljon' en ik heb daar een andere ervaring opgedaan.

Ten eerste. In het begin liep het imago van de bbt'ers inderdaad enige schade op. Dit was echter meer te danken aan het feit dat te veel bbt-officieren en onderofficieren niet op tijd de knop om konden zetten van een dienstplichtig leger naar een professionele organisatie. Velen dachten nu gewoonweg met meer gemotiveerde dienstplichtigen te maken te hebben in plaats van met onervaren beroepscollega's, waarvoor nu eenmaal zekere zorg en coaching vereist is. In plaats van aanpassen aan en reageren op een nieuwe werkelijkheid werd er geklaagd.

Ten tweede wordt in dit artikel de intelligente dienstplichtige opgevoerd, een vlag die de lading niet dekt. Men vergeet dan dat sommige lichtingen dienstplichtigen regelrechte rampen waren: gebrek aan fatsoen, opvoeding, opleiding en motivatie, veelal de januarilichtingen die gevuld waren met een groot aantal lieden die voortijdig de school hadden verlaten of werkloos waren. Dit in tegenstelling tot de septemberlichtingen met veel gediplomeerde schoolverlaters die nu ten onrechte als symbool van de gehele dienstplichtige populatie fungeren.

Na een lange parate ervaring (Schulten: gering) en twee uitzendingen (Schulten: geen) kan ik een redelijke vergelijking trekken tussen dienstplichtigen, vrijwillige dienstplichtigen (Libanon) en bbt-ers (Luchtmobiele Brigade en Bosnië). Voor mij staat als een paal boven water dat dit leger na de afschaffing van de dienstplicht een ongekende kwaliteitssprong gemaakt heeft.

Ten derde maakt de heer Schulten de fout dat hij in mensen zonder diploma's kennelijk mislukkelingen of mensen zonder intelligentie ziet. In de praktijk blijkt dat in een lichting bbt-ers zich zowel ongediplomeerden als lieden met diploma's bevinden. Dit is gezien het grote scala aan diverse functies ideaal om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen.

Ten vierde zijn we in de krijgsmacht druk bezig verbeteringen aan te brengen in de uitstroommogelijkheden. Daarbij horen onder andere contacten met het bedrijfsleven. De eerste resultaten op dit gebied zijn inmiddels zo goed dat de brigade in kwantitatieve zin niet altijd kan voldoen aan de vraag van het bedrijfsleven. In dit kader is de vergelijking met het Amerikaanse leger en het gebruik van woorden als geteisem, criminelen en mislukkelingen dus een regelrechte belediging.

Ten vijfde moet ik opmerken dat in de bijna zes jaar dat de Luchtmobiele Brigade bestaat zich vanaf een papieren model heeft ontwikkeld tot een flexibele eenheid die in staat is om bij elk niveau en intensiteit van crisisbeheersing op te treden. De tijd heeft niet stilgestaan, deze brigade ook niet, de kennis en visie van de heer Schulten verdient een nadere oriëntatie.

Tenslotte: omvangrijke en complexe reorganisaties en veranderingsprocessen vergen tijd, volgens sommige wetenschappers circa tien jaar. De Koninklijke Landmacht heeft feitelijk te maken met drie megaveranderingen op hetzelfde moment: eenheden werden gereorganiseerd, opgericht of opgeheven. Geen enkele eenheid bleef ongemoeid. Naast de gevolgen hiervan voor het zittende personeel zoals bijscholingen, overtolligheid en overplaatsingen werd het ook nog geconfronteerd met de introductie van een totale nieuwe categorie personeel en met een andere taakstelling waar uitzendingen met bijkomend gevaar voor eigen leven normaal werd. In de zes jaar dat deze reorganisaties zich nu op topsnelheid aan het voltrekken zijn, is zeer veel bereikt. Mijns inziens een unieke topprestatie.

De angst van de heer Schulten is dus volkomen ongegrond: mits goed geleid door professioneel kader presteren moderne bbt-ers zonder meer goed en zijn opmerkingen over jongeren die het leger inkomen voor de centen, de lol en de drank zijn excuses waard.

    • Kol. Drs I. J. Duine