HIMALAYA'S WELLICHT DE OORZAAK VAN DE PLEISTOCENE IJSTIJDEN

Over de uitbreiding van de landijskappen gedurende de laatste ijstijd is veel bekend. Sommige gebieden zijn echter, door wat voor reden dan ook, zo lang ontoegankelijk gebleven dat er nog nauwelijks gegevens over beschikbaar waren. Dat geldt onder meer voor de circa 4000 meter hoog gelegen Tibetaanse Hoogvlakte in de Himalaya's. Over de ijskap die daar gelegen heeft, en over de consequenties daarvan voor het klimaat op aarde, is nu een grote hoeveelheid informatie beschikbaar gekomen door een artikel in een aan 'problematische ijskappen' gewijd speciaal nummer van Quaternary International, waarin Matthias Kuhle (van het Geografisch Instituut van de Universiteit van Göttingen) een beeld schetst van het onderzoek dat door een aantal expedities ter plaatse is gedaan.

Het blijkt dat aan de zuidzijde van de Himalaya's morenes voorkomen die bewijzen dat de ijskappen tot 460 meter boven zeeniveau omlaag zijn 'gestroomd'; aan de noordzijde is dat uiteraard minder ver, en wel tot zo'n 2300 meter (locaal tot 1900 meter). Op basis van de glaciale erosie van de bergwanden zelf kon worden vastgesteld hoe hoog de ijskap reikte.

Hieruit kan worden afgeleid dat de ijsmassa voor het grootste deel zo'n 1200 à 2000 meter dik moet zijn geweest, en dat de evenwichtslijn tussen ijs en water gedurende de ijstijd moet hebben gefluctueerd tussen 1100 en 1600 meter boven zeeniveau. Dit betekent dat de hele Tibetaanse Hoogvlakte met ijs bedekt moet zijn geweest. Kuhle toont overtuigend aan dat de totale oppervlakte van de ijskap 2 à 2,4 miljoen km moet hebben bedragen. Het effect hiervan op het wereldklimaat moet enorm zijn geweest.

Uitgaande van een albedo (mate van zonnestralingsreflectie) van 90% moet dit, rekening houdend met zowel de ligging binnen de subtropische klimaatgordel als de hoogteligging, een zelfde warmteverlies voor de aarde hebben opgeleverd als een ijskap van ruwweg 6-10 miljoen km op 60 à 70 graden noorder- of zuiderbreedte. Daardoor werd het patroon van de warmteverdeling op aarde ernstig verstoord. Momenteel wordt op de hoogvlakte slechts 15 à 20% van de invallende zonnestraling teruggekaatst.

De gevolgen van de enorme ijsmassa zijn ook nu nog merkbaar. Centraal Tibet komt jaarlijks 10 à 521(!) millimeter omhoog, wat veel meer is dan elders inde Himalaya's. Dit kan alleen worden verklaard als een nog steeds doorgaand herstel van het isostatisch evenwicht (de enorme ijskap drukte het gebied omlaag). De doorgaande - geologisch gezien extreem snelle - opheffing kan het wereldklimaat beïnvloeden. Een verdere stijging van 500 à 1000 meter van de gehele Tibetaanse Hoogvlakte (die volgens Kuhle overigens enkele tienduizenden jaren zou vergen) zou namelijk ook zonder verdere klimaatveranderingen voldoende zijn om het gebied weer met ijs te bedekken. Door de dan weer sterk toenemende albedo zou een nieuwe ijstijd kunnen ontstaan. Het is daarom ook niet uitgesloten dat de snelle opheffing van de Himalaya's medeverantwoordelijk is voor de Pleistocene ijstijden. Ook kan niet worden uitgesloten dat de huidige afwisseling van ijstijden en interglacialen pas zal stoppen als de Himalaya's door erosie weer tot een aanzienlijk lager gebergte dan nu zullen zijn omgevormd.

    • A.J. van Loon