Een huis van stro; DE BOUW MAAKT TE WEINIG GEBRUIK VAN NATUURLIJKE GRONDSTOFFEN

Bouwen met vernieuwbare grondstoffen dient het milieu en de gezondheid van de bewoners. De overheid zou toepassing van dit soort bouwmaterialen dan ook meer moeten stimuleren, aldus Peter Fraanje. Donderdag promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam.

SINDS ENKELE jaren kent de Nederlandse bouwwereld een energieprestatienorm, waaraan nieuw te bouwen woningen moeten voldoen. Maar met de invoering van deze norm richt de Nederlandse overheid zich veel te veel op het energieverbruik van de bewoners, de energie-inhoud van de gebruikte bouwmaterialen blijft grotendeels buiten beschouwing, stelt ing. Peter Fraanje: “Hiermee laat de overheid een belangrijke mogelijkheid liggen om energie te besparen. De energie-inhoud van de huidige bouwmaterialen is een niet te verwaarlozen factor, zeker niet nu de technische en economische levensduur van een woning steeds lager ligt. Je kan een heel energiezuinige woning bouwen, maar als daarvoor veel meer bouwmateriaal nodig is, span je het paard achter de wagen.”

Ter ondersteuning van zijn betoog heeft Fraanje berekend hoeveel energie gemoeid is met het casco van een fictieve standaard tussenwoning van gietbeton ten opzichte van bijvoorbeeld een casco van houtskeletbouw (HSB). Uit de rekensom volgt dat, gekeken naar een levensduur van 150 jaar, gietbeton een energie-inhoud van 205 GJ (gigajoule) heeft, terwijl houtskeletbouw maar 74 GJ aan energie vraagt.

Ook andere vernieuwbare grondstoffen scoren gunstig in milieu-opzicht. In zijn proefschrift Renewable resources for building materials, waarop Fraanje donderdag aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde, voert hij dan ook een sterk pleidooi voor een toename van bouwmaterialen als hout, riet als dakbedekking, vlas en hennep als isolatie- en plaatmateriaal, schapenwol en oud papier als isolatiemateriaal en schelpen in schelpkalkmetselmortel en als bodemafsluiter. “Vernieuwbare grondstoffen hebben als groot voordeel dat zij bij goed beheer in relatief korte tijd weer opnieuw beschikbaar zijn”, verduidelijkt Fraanje. “Ze kennen een korte regeneratietijd, ze zijn 'nagroeibaar', terwijl ze bovendien afbreekbaar en composteerbaar zijn, zodat ze na afdanking geen problemen hoeven te veroorzaken.”

In de bouw is het gebruik van dit soort veelal plantaardige bouwstoffen de laatste tientallen jaren drastisch afgenomen. Een goed voorbeeld is hout in nieuw gebouwde eengezinswoningen, waarvan de hoeveelheid de afgelopen dertig jaar met bijna de helft verminderde: van 6,2 kubieke meter in 1969 tot 3,4 kubieke meter in 1996. Deze verschuiving komt voor een belangrijk deel door het vervangen van de houten benedenvloer door één van beton.

SCHELPENLAAG

Volgens Fraanje is deze verandering onder meer een gevolg van het feit, dat tijdens en na de beide wereldoorlogen hout in het bosarme Nederland tijdelijk een schaars goed is geweest. Als alternatief voor de houten vloer kwam de betonnen vloer toen in beeld. Met de bouw van grote aantallen, vaak identieke woningen in de jaren zestig nam het gebruik van betonnen systeemvloeren in populariteit toe. Na de oliecrisis in 1973 stelde de overheid eisen aan de warmte-isolatie van vloeren, later kwamen er normen voor geluidsisolatie gevolgd door luchtdichtheidseisen in verband met het vrijkomen van radon uit de kruipruimte. De houtsector kon op deze ontwikkeling niet goed inspelen. In feite is pas sinds kort een houten begane grondvloer leverbaar, die in combinatie met een isolerende schelpenlaag voldoet aan alle eisen van het Bouwbesluit.

Een gevolg van het geheel of gedeeltelijk verdwijnen van bouwmaterialen uit vernieuwbare grondstoffen is dat leveranciers zich extra moeten inspannen om de kwaliteit van deze materialen te bewijzen. Fraanje: “De Dom van Keulen en de Utrechtse Dom zijn bijvoorbeeld gemetseld met schelpkalk. Schelpkalk heeft ten opzichte van cementmortel het voordeel dat de voegen een langere levensduur hebben, dat bij ongelijke zetting de kans op breuk gering is en dat de baksteen na sloop opnieuw in zijn geheel in gebruik kan. De bouwwereld voerde aan dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs voor de betrouwbaarheid van de gebruikte metselmortel zou zijn. Terwijl de Dom er al eeuwen staat!”

Ook vegetatiedaken ondervonden veel weerstand bij hun eerste toepassing in Nederland, eind jaren tachtig. Een TU-professor liet weten op de achterkant van een sigarendoos te kunnen uitrekenen dat begroeide daken niet zouden werken. Inmiddels zijn vegetatiedaken ook door architecten 'zonder geitenwollen sokken' her en der toegepast. De invloed van de gevestigde bouwindustrie lijkt zo sterk te zijn, dat ook de onlangs gepubliceerde nationale richtlijnen op het gebied van duurzaam bouwen een opmerkelijk blinde vlek vertonen, wanneer het gaat om vernieuwbare grondstoffen. “Schelpen kunnen bijvoorbeeld heel goed als isolatiemateriaal in kruipruimten gebruikt worden. Toch was het materiaal lange tijd niet in de lijst van het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen opgenomen, omdat er geen levenscyclusanalyse (LCA) zou zijn, die aantoonde dat het materiaal voldeed aan de gestelde milieu-eisen. Maar inmiddels is die LCA er allang, dus er is geen reden om schelpen niet te vermelden”, zegt Fraanje, die als wetenschappelijk medewerker van het IVAM Environmental Research van de Universiteit van Amsterdam de discussie over duurzame bouwmaterialen van nabij volgt. “Bij de ontwikkeling van het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen is een aantal partijen uit de bouw betrokken. Het blijft speculatief, maar het lijkt erop dat de gangbare bouwindustrie in het gebruik van schelpen een directe bedreiging ziet.”

STROBALENPROJECT

Fraanje constateert tevreden dat natuurlijk bouwmateriaal de laatste jaren op een toenemende belangstelling mag rekenen. Zo kwamen er in 1998 naar schatting ruim 5.000 woningen van houtskeletbouw bij. In Duitsland is een traditionele bouwwijze met klei in combinatie met stro, riet of houtchips opnieuw geïntroduceerd. In Hierden, ten oosten van Harderwijk, is onlangs een vakantiehuis van strobalen opgeleverd, terwijl in het Zeeuwse Ouwerkerk eveneens een strobalenproject in volle gang is. Fraanje: “Het zou goed zijn als de technische universiteiten aandacht en onderzoek zouden besteden aan dergelijke bouwmaterialen uit vernieuwbare grondstoffen. Bijvoorbeeld door de warmtecapaciteit en vochthuishouding in natuurlijke grondstoffen te bestuderen. Hoewel veel van dit soort grondstoffen al eeuwen lang in de bouw dienst deden, blijkt dat er nog steeds technische verbeteringen denkbaar zijn.” Als voorbeeld noemt hij een technologische innovatie van een rietdekker. Bij traditionele rieten daken is riet met lange spijkers in de dakspanten vastgezet. Door riet met ijzerdraad te bundelen en met een schroefje op onderliggend plaatmateriaal te bevestigen, neemt de brandwerendheid toe en is er geen sprake meer van tocht, wat bij traditionele rieten daken soms wel het geval is. Op deze manier kan het rieten dak goed concurreren met andere daken in de nieuwbouw.

Betekent dit alles dat vernieuwbare bouwmaterialen per definitie beter zouden zijn dan kunststoffen of high-techbouwmaterialen? Fraanje: “Ik denk dat vernieuwbare grondstoffen, samen met weinig bewerkte en ruim voorradige delfstoffen als leem, klei en zand, als bouwmateriaal voor woningen en kantoren de voorkeur verdienen boven kunststoffen of high-techmaterialen. Die laatste zijn vaak na energie-intensieve en risicovolle processen tot stand gekomen. Het merendeel van de onderzoekers onderzoekt nieuwe materialen, terwijl er weinig aandacht gaat naar traditionele, weinig bewerkte en door de natuur geleverde grondstoffen. Daarmee blijft een groot potentieel aan grondstoffen, die een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan gezond en duurzaam bouwen en wonen, buiten schot.”