De overheid moet inspireren als een Oprah Winfrey; Mickey Huibregtsen van McKinsey

Mickey Huibregtsen werkte tientallen jaren voor het organisatieadviesbureau McKinsey, en adviseerde in Nederland bijna alles en iedereen van belang bij overheid en bedrijfsleven. Normen en waarden, de rol van de overheid, en nog meer - Huibregtsen heeft er een mening over. En vaak tegen de draad in: 'Iemand moet toch tegen het systeem duwen.'

Voluit heet ik Frederik Wouter Huibregtsen, mijn ouders noemden me zo in een poging om de dreiging van de oorlog te bezweren. Ik ben geboren in januari 1940, aan de Maaskade in Rotterdam. Frederik betekent vrede, Wouter brenger. Mijn moeder heeft me dat laatst verteld, ik had het nooit gehoord. Dat Mickey is heel jong ontstaan. Eerst heette ik Frederik. Mijn broers maakten daar Frekie van en dat vonden mijn ouders verschrikkelijk. Toen werd het Wouter. Maar we hadden ook allemaal een bijnaam. Mijn oudste broer heette Hikkie, mijn tweede broer Fikkie en bij mij werd het Mikkie. Toen ik volwassen werd verdween die bijnaam - totdat ik in het internationale bedrijfsleven kwam. De Engelsen zeiden Walter en dat klonk zo Duits en toen heb ik er Mickey van gemaakt. Acht jaar geleden kwam ik in de sport terecht en ik wilde die wereld separeren van die van McKinsey. In de sportwereld heette ik Wouter. Dat heeft heel goed gewerkt. Veel mensen hebben nooit de verbinding gemaakt. Ik maakte als voorzitter van NOC*NSF eens kennis met de burgemeester van Nieuwegein en hij zei: god wat leuk, ik ken uw broer Mickey heel goed.

De wereld van het bedrijfsleven ken ik van haver tot gort, althans de top ervan. De kwaliteit is hoog, er zitten competente mensen met een goed ontwikkeld gevoel voor normen en waarden. Laat ik zeggen dat de sportwereld gevarieerder is. In die wereld gingen voor mij blikken nieuwe mensen open. Dat trok mij erin aan, ik heb een ongebreidelde belangstelling voor mensen. En ik praat met hetzelfde plezier met de portier van een onderneming als met de president. De portier van het hoofdgebouw van Shell in Den Haag doet aan bodybuilding. Ik weet precies waar hij traint en wat hij doet. Maar de sportwereld - daar ben ik de laatste tijd weer met mijn neus bovenop gedrukt - is soms ook minder inspirerend dan je zou hopen. Er zitten veel mensen met banen die niet uitdagend zijn. Mensen die niets anders te doen hebben in de maatschappij dan een sportclub besturen.

Ik ben altijd op zoek naar verandering - in de politiek en in de maatschappij. Ik kan de zon goed in het water zien schijnen, maar ik zie ook de mogelijkheden tot verbetering. In mijn perceptie is de manier waarop mensen met elkaar omgaan de laatste twintig jaar dramatisch achteruitgegaan. Ik noem dat menselijke milieuvervuiling. Mensen hebben hun verantwoordelijkheden en verplichtingen afgestoten en omhoog gedelegeerd naar de overheid. Die gaat er op een weinig moedige manier mee om door haar beleid te laten domineren door de zogenaamde zielige gevallen. En ga eens in de Kalverstraat kijken. Negen van de tien voorbijgangers kijken je aan alsof ze je een mes in de rug willen steken. Al wordt dat de laatste jaren wel wat beter. Normale beleefdheden in de dienstverlening, wilt u dit formulier invullen, wilt u daar gaan zitten, zijn verworden tot u mag. U mag daar gaan zitten. U mag vijftien minuten wachten. Ik zeg weleens: u mag doodvallen - gewoon om mensen eens te laten merken wat ze eigenlijk zeggen. Dat u mag heeft alles te maken met het gebrek aan bereidheid van mensen om een onbekende aandacht te geven, om iemand tegemoet te komen door iets te vragen. U mag betekent: ik heb het hier voor het zeggen, ik plaats mezelf op een voetstuk.

Het is fantastisch om iets goed te doen in India of Pakistan, maar al mijn acties zijn altijd gericht geweest op Nederland. Tien jaar geleden heb ik de Stichting Leverage opgericht, met als doel de bevordering van de naastenliefde. De stichting geeft financiële ondersteuning aan mensen die zich inzetten voor hun medemens. Verder geloof ik heilig in de maatschappelijke functie van sport, dat is de reden waarom ik me er zo voor heb ingezet. Neem een jongen van twaalf, hij heeft drie primaire behoeften. Hij wil deel uitmaken van een groep, hij wil zich binnen die groep onderscheiden door indruk te maken en hij wil greep op zijn toekomst hebben. Dat kan hij doen in een jeugdbende en dat kan hij doen in een voetbalelftal. Welke mogelijkheid hij kiest wordt hem niet ingegeven door hemzelf, maar door de omstandigheden. Sport creëert omstandigheden waardoor jongens van twaalf niet naar een jeugdbende gaan. Het vervelende is, als men aan sport denkt, denkt men aan het Nederlands elftal. Daar heeft het niets mee te maken.

Ik geniet van menselijke relaties. Zou je misschien niet zeggen, het is niet het eerste beeld dat ik oproep. Mensen denken vaak dat ik koel ben. Dat ik voornamelijk gericht ben op intelligentie. Maar dat is niet zo, ik ben veel meer gericht op emotie. Je zou zeggen dat je op je achtenvijftigste alle tijd hebt gehad om erover na te denken hoe het komt dat je zo anders wordt geprojecteerd dan je bent, maar ik begrijp het toch vaak niet. Het stoort me wel, ja, natuurlijk. Ik merk het aan hoe mensen op mij reageren. Ik merk het aan hun angst. Ik ben daar de laatste tijd weer hard mee geconfronteerd.

Ik had een intelligente, briljante, zorgzame moeder en een vader die in zijn hart heel aardig was, maar in zijn gedrag een beetje stug. Hij was een zeer toegewijd huisarts, op handen gedragen door zijn patiënten. Mijn moeder was mijn mentor. Vanaf de lagere school deed ze m'n huiswerk met mij, iedere avond. Zelf had ze Frans gestudeerd, ze was heel goed in wiskunde. Ik heb zeer veel persoonlijke educatie gehad. Ik deed gymnasium bèta, mijn klas bestond uit twee leerlingen. De andere helft van de klas was minstens even intelligent als ik, dat maakte het helemaal prettig. Ik voelde me geen bijzonder kind, maar ik was wel altijd de beste van de klas geweest. Dat gaf me een groot gevoel van zekerheid. At peace with myself. Maar ik was geen vlotte jongen. Ik ben eerst in Leiden wis- natuur- en scheikunde gaan studeren, maar na twee maanden begreep ik dat ik dan leraar zou worden en dat was mijn ambitie niet. Toen ben ik naar Delft gegaan.

Eén van de grootste obstakels in mijn leven is dat ik moeite heb me voor te stellen hoe bang mensen vaak zijn. Iemand zei eens dat de afgunst van de armen voor de rijken kinderspel is vergeleken met de blinde haat van de dommen voor de denkenden. Ik heb inmiddels wel iets geleerd, maar ik kan me nog steeds niet voorstellen hoe mensen in voortdurende angst en onzekerheid kunnen leven, hoe ze achter elke boom een struikrover menen te zien, wat voor invloed dat heeft op de informatie die je met hen communiceert. Voor mijn gevoel communiceer ik waardevrij. Geen dubbele bodems, behalve als je een grap maakt. Ik ga ervan uit dat de ontvanger mijn woorden op de juiste manier interpreteert. Ik heb het geluk gehad dat ik me in de wereld van het bedrijfsleven altijd heb kunnen begeven te midden van denkende mensen, zowel bij McKinsey als bij de cliënten.

Ik ben afgestudeerd in de technische en theoretische mechanica en toen ben ik op zoek gegaan naar een baan in het bedrijfsleven om alles te leren wat ik nog niet had geleerd. Ik kon hoogleraar worden, maar ik wilde uit de wetenschap, ik vond mezelf er niet goed genoeg voor. Ik had negeneneenhalven in plaats van tienen. Als je niet echt briljant bent is de wetenschap niet interessant. Ik was een beetje briljant. Ik kreeg de kans om stages te doen bij Stork. Op een gegeven moment leidde ik zeventig monteurs en ik heb het verhaal vaker verteld, maar in die tijd heb ik een paar heel simpele levenslessen geleerd. We gingen een maand mee op een marinefregat, het was slecht weer, het ging echt ontzettend te keer. De helft van de bemanning en de helft van de monteurs lag doodziek te bed, maar ik kwam nog opgewekt aan tafel en je kunt je de grappen wel voorstellen. Wie wil er nog wat gebakken spek, en dan zag je de gezichten grijs wegtrekken. Op een avond werden we uitgenodigd om te komen drinken in de onderofficiersmess. We zijn 's avonds om zeven uur begonnen. We kwamen er 's morgens om zeven uur weer uit. Ik was een van de weinigen die nog overeind liepen. Tot dan toe zagen ze me als iemand die misschien wel goed was in partiële differentiatievergelijkingen, wat dat ook voor dingen mochten zijn, maar geen verstand had van lagers en flenzen. Opeens had ik twee dingen gedaan waar ze respect voor hadden. Van de ene dag op de andere was ik in hun ogen van weinig indrukwekkend chefje een leider geworden.

Ik geloof heel sterk in persoonlijke dienstverlening als bron van werkgelegenheid. Ik vind dat we die vormen van dienstverlening economisch, sociaal en moreel totaal vernietigd hebben. Eerst hebben we het uit de markt geprijsd. Als wij allebei aan de onderkant van de arbeidsmarkt zitten en onze marktwaarde is hetzelfde en jij wilt mij één uur gebruiken, dan moet jij drie uur werken om mij te kunnen betalen, zo eenvoudig is het. Werkgelegenheid is ruil van arbeid en die ruil komt dan ook nog eens niet tot stand omdat we dat soort werk tot minderwaardig hebben verklaard. Maar ik geloof heilig dat we de mensen die in de persoonlijke dienstverlening zitten heel erg nodig hebben. Ze zijn the glue of the society, dat is hun meest waardevolle functie. Het bijeenhouden van de maatschappij. Niet omdat ze zo geschoold of intelligent zijn, maar simpelweg omdat ze mens zijn. Met hun normen en waarden vormen ze de basis.

Ik ben een gedreven man, maar je moet niet alles wat ik zeg voor de heilige waarheid houden. Ik bied suggesties aan - al weet ik dat ik niet altijd die indruk wek. Wat ik nu ga zeggen klinkt ook heel stellig, maar ik bedoel het als suggestie. Ik vind dat de rol van de overheid niet wezenlijk anders is dan de rol van ouders. De overheid moet zorgen voor de inrichting van de maatschappij, maar ze moet tegenwoordig ook opvoeden. En zoals veel ouders daarin falen, faalt de overheid daar ook in. Voor ouders is het bijzonder moeilijk om een evenwicht te vinden tussen zorgen voor en op eigen benen laten staan. Voor de overheid is dat nog drie keer zo moeilijk, want de schaal waarop ze het moet doen is veel groter en bovendien opereert ze onder het vaak afbrekende oog van de pers. Dus wat gebeurt er? De overheid doet wat veel ouders doen: ze verwent mensen, zo erg dat het normbesef verdwijnt, dat ze alleen nog maar eisen stellen en in een continue staat van ontevredenheid verkeren. Die houding van de overheid is een overreactie op de onrechtvaardigheid die er heel lang was. Net als bij een slechte opvoeding komt het voort uit goede bedoelingen.

Ik denk niet dat de normloosheid en de ontevredenheid gevolgen zijn van de welvaart. Welvaart zou juist moeten leiden tot een hoger normbesef. Ik denk eerder dat de wereld zo open is geworden dat veel mensen gedesoriënteerd zijn geraakt. Helaas is een van de ongelukkigste kanten van onze democratie dat we de neiging hebben voor goed en waar te houden waar de grootste denominator van de mensheid zich mee accordeert. En dat is niet noodzakelijkerwijs dat wat edel is of opvoedend. Ga maar na wie de tien meest populaire mensen van Nederland zijn en ga ze maar analyseren. En vraag je dan af voor wie van die tien mensen je werkelijk respect kunt hebben. Ik ben bang dat daar weinig mensen bij zijn die zich met wijsheid en karakter, zonder eigenbelang, inzetten voor de maatschappij. Het is al een hele opgave om dat te wìllen.

Om tegelijkertijd competent, succesvol en oprecht te zijn - dat is steeds moeilijker. En dat komt door de allesoverheersende rol van de media. Het veiligste is om nooit je nek uit te steken. Of je nou naar de wereld van de politiek kijkt of van het bedrijfsleven of van de sport - je moet voldoen aan een krachtenstelsel dat in veel componenten onoprecht is. Het selectiecriterium is don't rock the boat. Je wordt niet meer gemeten op je werkelijke bijdrage of je integriteit, maar op je vermogen om een goede indruk te maken met een minimum aan moeilijkheden, in termen van verontruste of geschokte mensen. In de afweging tussen de positieve prestatie van iets goed doen en de niet-negatieve prestatie van geen opstoot veroorzaken zul je in het algemeen zien dat het laatste dominant is.

Neem het voorbeeld van Jan Kalff. Als die de strijd om de Generale gewonnen had, wat in de rede had gelegen, dan was hij nu de gevierde man geweest. Maar nu heeft hij verloren door een samenspanning tegen hem van het Belgische establishment. En alle wijsneuzen langs de kant maar vertellen dat hij dit had moeten weten en dat had moeten weten. Wat had hij om populair te blijven dus beter kunnen doen? Niets. Ik heb zelf ondervonden hoe het werkt. Ik heb zelf ook een paar keer mijn nek uitgestoken, ik heb ook de betweters horen roepen. Aan de andere kant mag ik niet klagen. Tot mijn zevenenvijftigste heb ik nooit problemen gehad.

Natuurlijk, aan het hof van Lodewijk de Veertiende zullen mensen zich ook zeer politiek hebben gedragen. Het verschil is dat men zich toen kon richten naar één speler. Nu moet je rekening houden met een nuclear fall out aan mogelijke bedreigingen. We hebben een tussenperiode gehad, vlak na de oorlog, waarin een solide raamwerk van maatschappelijke waarden en normen zorgde voor stabiliteit en overzichtelijkheid. Mensen als Drees konden daarin groot worden. We zijn dat kwijt geraakt doordat we niet meer in staat zijn om evenwichtig te kiezen. Steeds wordt afgedwaald naar die keuze die het in de pers het beste zal doen. Alle aandacht wordt getrokken door het incident. Van de vijftien miljoen Nederlanders hebben er misschien vijfhonderd een goed idee hoe de werkgelegenheid in elkaar zit. En duizend hebben er verstand van het allochtonenvraagstuk. Maar die duizend komen niet aan het woord omdat de beslissingen gedirigeerd worden door verouderde organisatorische visies uit de tijd van de industriële revolutie. Er worden geen verstandige afwegingen gemaakt.

Het grootste probleem van de overheid is dat we het in wezen allemaal met elkaar eens zijn over wat we willen bereiken. Er is bijna geen ideologisch debat meer. Het enige debat dat er nog is gaat over abortus, euthanasie, Schiphol en één of twee andere onderwerpen. We zijn allemaal vóór welvaart, bescherming van het milieu, een zekere mate van gelijkheid, een minimumbestaansrecht voor iedereen, vrijheid en maximale ontplooiingskansen. We zijn het alleen níet eens over de manier waarop we die doelstellingen moeten bereiken. Wat moet de overheid dus doen? Onderkennen dat negentig procent van haar taak een organisatietaak is. Organisatie in termen van making things happen: hoe creëer ik voor vijftien miljoen Nederlanders de inspiratie om te zorgen dat ze doen wat er gedaan moet worden. De overheid moet alles inzetten op de ontwikkeling van gewenst maatschappijgedrag. De overheid heeft steeds meer een educatieve functie. De overheid moet ideeën verkopen.

Ik verwacht dat de marketingbudgetten van de overheid de komende tien jaar enorm zullen stijgen. De investeringen zullen verschuiven van hardware naar software. De overheid zal meer en meer inzien dat haar rol níet het uitvoeren van taken is - dat kan ze veel beter overlaten aan marktpartijen. Haar rol zal ook niet meer die van een strenge regisseur zijn die regels vastlegt en zegt: daar mag u niet buiten lopen, anders krijgt u klappen. De overheid moet inspireren - als een Tony Blair, een Oprah Winfrey.

Ik ben een optimist. We zijn de laatste dertig, veertig jaar door een heel turbulente periode gegaan waarin mensen erg ontworteld zijn geraakt. Maar ik denk dat mensen nu weer nieuwe vastigheden zoeken, nieuwe waarden. Je ziet het al aan de populariteit van de milieubeweging, maar dat is niet het goede voorbeeld. Vóór het milieu zijn is een waarde die je heel gemakkelijk kunt aanhangen zonder dat je er zelf veel voor hoeft te doen. Er zit een element in van vechten tegen de gevestigde orde. Je bent een Robin Hood zonder het risico dat pijlen jou treffen.

Er zullen nieuwe pressiegroepen ontstaan. Die pressiegroepen zullen die ideologische, inspirerende rol van de overheid afdwingen. Tegelijkertijd zullen ondernemingen onder diezelfde druk steeds meer maatschappelijk engagement tonen. Consumenten en medewerkers zullen het van hen eisen. Ze zullen van ondernemingen verwachten dat ze relevante dingen doen. Ondernemingen worden commodities en hun producten ook. Ze kunnen zich alleen nog onderscheiden door associaties. Wat voor gevoel roepen ze bij mij op? Hoe sympathiek zijn ze? Wat doen ze voor mij en voor mijn omgeving? Ondernemingen gaan op politieke partijen lijken. En overheden op ondernemingen.

Ik heb vaak het gevoel dat ik te ver voor de troepen uitloop. Maar íemand moet toch tegen het systeem duwen. Ik heb nul macht om dingen te veranderen. Maar ik wìl dat ze veranderen. En ze veranderen ook. Tien jaar geleden ben ik begonnen over de emotionele revolutie. En nu zie je haar overal. Nee, ik ben niet bang om te zeggen wat ik denk of vind. Maar er zijn momenten waarop je denkt: waarom zou ik het doen?

Als Wouter Huibregtsen kwam hij in februari in het nieuws omdat hij tegenover een journalist van de Volkskrant kroonprins Willem-Alexander zou hebben beledigd: judas, verrader. Een paar weken later trad hij af als voorzitter van NOC*NSF, maar hij begon wel een rechtszaak. Hij heeft het niet gezegd - zegt hij zelf.

Als Mickey Huibregtsen is hij chairman van de Nederlandse afdeling van organisatieadviesbureau McKinsey & Company. Hij studeerde technische en theoretische mechanica in Delft, was officier bij de marine (luitenant ter zee tweede klasse), werkte drie jaar bij Stork en kwam op zijn dertigste bij McKinsey terecht. Daar adviseerde hij bijna alle grote Nederlandse bedrijven en bijna alle ministeries. In 1995 werd hij Chairman The Netherlands, eerder zat hij al in het Shareholders Committee, het hoogste bestuurlijke orgaan van McKinsey worldwide. Na achtentwintig jaar begint hij zijn werk bij McKinsey af te bouwen.