De kerk van zestig

Zou het helpen als we de jaren zestig eens niet meer behandelden als een historische periode, maar als een godsdienst? Aan het begin van dit decennium is er iemand geweest die het licht heeft gezien. Wie dat in dit geval is weten we niet, maar wel kwamen er al vlug apostelen die de Leer verbreidden. Dat waren in Nederland de Provo's, waarbij ik, als ik het in dit geloof voor het zeggen had, Roel van Duijn de rol van Paulus zou toebedelen. Tegen alle weerstand van de gevestigde machten in, kreeg de Onbekende (die door Robert Jasper Grootveld in het begin Klaas werd genoemd) steeds meer aanhang. De gelovigen werden vervolgd, er kwamen martelaren die voortleven in de geschiedenis. De Leer verspreidde zich over de wereld, bracht veel heil en zegen en ook een paar nadelen.

Om ons niet met de inhoud van het geloof bezig te houden, zullen we de voors en tegens niet omschrijven. De Leer drong door in de bestaande organisaties en de gelovigen stichtten hun eigen instituten. Zoals uit ieder succesvol geloof, ontstond ook uit dit van de jaren zestig een kerk, een moederkerk waarin alle gelovigen waren verenigd, wat gemakkelijk kon omdat ze het in grote trekken met elkaar eens waren. Ze hadden dezelfde gezangen, het Love Love Love, het Strawberry fields forever, een heel liedboek vol met psalmen, gregoriaans en andere lof, en hun eigen wierook.

Maar zo'n eenheid kan niet eeuwig duren. In de grote gemeente ontstonden de eerste meningsverschillen. Er waren stromingen die kerk en staat wilden verenigen en daartoe politieke partijen oprichtten of overnamen, en anderen die meteen hun eigen staat stichtten, of, zuiver in de Leer, zich wars van staatsmacht tot het geloof wilden bepalen. Geen leer is dan zo zuiver of je kunt er op meer dan één manier uitleg aan geven. Heeft de Slang gesproken? Ja! Nee! Hoeveel engelen gaan er op de punt van een naald? Dat valt nauwkeurig te berekenen. Uit de verscheidenheid van antwoorden ontstonden genootschappen waarvan de leden, als monniken, zich in een soort habijt staken, in speciale behuizingen gingen wonen en er weer uiteenlopende manieren van eerbetoon aan de Leer op na hielden. Ze gingen zich bijgevolg op een afwijkende manier gedragen, zoals eertijds de Flagellanten, en nu nog de Mormonen, Jehova's Getuigen, enz. Uit nog verder voortgezette specialisering ontstaan dan de sekten.

Intussen zijn er alweer tientallen jaren voorbij gegaan. Hoeveel tientallen dat zijn, hangt af van waar je het nieuwe jaar Nul situeert. Dit betekent dat we ook een nieuwe geschiedenis hebben gekregen. Het is alweer vergelijkbaar met de oude jaartelling van voor en na Christus. Volgens de moederkerk van de jaren zestig leven we nu in het jaar 38 nà; tijd genoeg om het begin van een theologie tot ontwikkeling te brengen, het geheel der geloofswaarheden systematisch te onderzoeken. Daarnaast moet er dan een kerkgeschiedenis worden geschreven. Gelukkig worden de theologische en de historische opgaven beide ernstig aangepakt. Vaak zijn theoloog en historicus in één persoon verenigd. Het gelukkigste voorbeeld daarvan vind ik prof. Hans Righart die nog gemakkelijk de L. J.Rogier van de J.60 kan worden (waarmee ik andere wetenschappers niet minder wil waarderen).

Je kunt de parallellen tussen andere godsdiensten en die van de J.60 nog wel verder trekken, maar dan gaat het op een gezelschapsspelletje lijken. Daar is trouwens niets tegen, zolang de spelers zich maar concentreren op de overeenkomst in vormen, en de inhoud buiten beschouwing laten, want de discussie over de inhoud is bij spelletjes een bron van ruzie.

En dan is er nog een belangrijke vraag, een organisatorische, een profane misschien. Hoe komt het dat een bepaalde profeet in een bepaalde tijd in een bepaald land, gebied, werelddeel het zo ver kan brengen dat uit zijn Leer een kerk groeit? Zou hij of zij in een andere tijd, op een andere plaats hetzelfde resultaat hebben bereikt? Zouden, in dit geval, de openbaringen van de J.60 met dezelfde kracht hebben gewerkt als we ze dertig jaar eerder of later hadden ondergaan? En hoe komt het dat juist in de noordelijke streken van de Westerse beschaving de openbaringen zo hard zijn aangekomen?

Het schoot me te binnen toen ik, na een poosje in zuidelijke streken te zijn geweest, weer in Amsterdam was teruggekeerd. Ik was het ontwend, de hanekammen, de kaalgeschoren hoofden, de geringde oren, onderlippen, wenkbrauwen en neuzen, de tatoeages, de dreigend-sombere blik van de fotomodellen op de affiches, de extatisch opengesperde monden. Een sekte op het oorlogspad, rekruten voor een kruistocht, een voorhoede die ook mij op zo'n manier wilde kerstenen? Even voelde ik me in een ander werelddeel. Maar toen ging me het licht op: ik was weer thuis! In mijn eigen, toch altijd vroom gebleven landje. Zit ik in de tram, dan dringen me de vertrouwde geuren in de neus, wierook aangelengd met een bosbrandje, en door het open raam van mijn kantoor komen de geluiden van de tamtam. In de verte laat een politie-auto, op weg naar een zich manifesterende sekte, zijn opgewonden tweetoon horen. Zacht ruist de regen. Oost west thuis best.

    • S. Montag