Daltononderwijs voorkomt krampachtig leren

Cijfermatig onderzoek naar de kwaliteit van scholen heeft geen oog voor de vormende aspecten van het onderwijs. De huidige kritiek op vernieuwingsscholen is volgens Paul Hendriks en Dick van Hennik dan ook onterecht.

De kranten kopten naar aanleiding van het jongste onderzoek door het dagblad Trouw naar de schoolprestaties in ons land, wederom dat zogeheten vernieuwingsscholen het slecht doen. Vorig jaar werd al duidelijk dat de Montessori-scholen het slecht deden, nu moeten ook de Jenaplan- en Daltonscholen eraan geloven. Zij doen het volgens het onderzoek zelfs nog slechter.

In het Trouw-onderzoek wordt echter niet de aard van het onderwijs op de vernieuwingsscholen onder de loep genomen. Dat komt omdat het onderzoek niet is verricht vanuit een visie op het totale opvoedingsproces. Er wordt alleen gekeken naar de cijfermatige gegevens.

De overheid doet er ook aan mee. Zij wil dat de scholen zich wagen aan onderwijsvernieuwingen en dat zij kinderen kansen bieden om zelfstandig te leren. Anderzijds brengt de overheid scholen die hun nek uitsteken en ruimte bieden voor experiment en creativiteit, in verlegenheid met cijfermatig onderzoek onder de titel 'kwaliteitskaart'. Zo wordt de basisvorming een grote paradox, bedoeld om leerlingen kansen te bieden maar ingevuld in zogenoemde homogeen samengestelde brugklassen. De heterogene brugperiode komt nog zelden voor. Scholen spelen op zeker. Zij worden gelegitimeerd door de media, die een hoog cijfermatig rendement beschouwen als een keurmerk van kwaliteit.

Het onderzoek van Trouw en de kwaliteitskaart van de rijksinspectie bevestigen het bestaande systeem van cijfers en cognitief rendement. De berichtgeving eromheen moedigt pogingen om het anders te gaan doen op zijn zachtst gezegd niet aan.

Scholen die het zichzelf gemakkelijk maken, worden beloond. Zij werken met cijfers en er wordt niet te veel naar de persoonlijkheidskenmerken en het ontwikkelingspotentieel van de leerlingen gekeken. Zij bieden vooral klassikaal (en daardoor meer consumptief) gerichte onderwijsprogramma's, want de examentraining is belangrijker dan de vormende aspecten van het onderwijs.

Met deze aanpak zal het evenzeer door Trouw aangekaarte probleem van zittenblijven en drop-outs niet kunnen worden opgelost. Als een gedoubleerde leerling het hele programma van de klas die hij overdoet weer moet doorwerken, dan wordt het zeker saai voor hem en verdwijnt zijn motivatie.

Cognitief gerichte scholen worden vooral gekozen door ouders wier kinderen zich hoogstwaarschijnlijk kunnen vinden in een leerstofgerichte prestatieschool (deze betiteling is niet bedoeld als waardeoordeel, maar om een kenmerkend onderscheid tussen scholen te kunnen maken). Ontwikkelingsgerichte ouders zoeken liever scholen voor hun kinderen waar andere aspecten een even grote rol spelen: sociaal-emotionele begeleiding (dat is wat anders dan leerlingbegeleiding die op schoolprestaties is gericht), artistieke kwaliteiten, het dragen van eigen verantwoordelijkheid. Ouders van kinderen, wier vorming in de periode van adolescentie soms heftige schommelingen doormaakt, zijn geneigd om scholen te zoeken die daarvoor ook de ruimte bieden. Dat zijn scholen die zich meestal wat minder zorgen maken over de statistieken en de cijfers van de kwaliteitskaart.

Waarom doen vernieuwingsscholen en dus ook onze school het tóch anders? Vernieuwingsscholen gaan uit van de leerlingen en pas daarna van de leerstof. Zij laten de leerlingen zelf kiezen en geven hun de verantwoordelijkheid voor de consequenties daarvan. Jongeren leren ermee om te gaan en - zoals zo vaak in een leerproces - gaat dat ook wel eens mis. Belangrijk is dat de docenten de leerlingen opvangen, hen sturen en naar mogelijk succes begeleiden. Tegelijkertijd leren de leerlingen omgaan met faalfactoren en ontdekken zij hun eigen mogelijkheden.

Een leerling met een Havo-diploma op zak weet niet welke studie hij moet kiezen. Het wordt dan maar 5 VWO vanuit de gedachte zich een jaar breder te vormen. Dat is duidelijk een parkeerstudie, die in een aantal gevallen niet tot succes leidt. De school die zich hiervoor niet openstelt, maakt winst op de kwaliteitskaart: er blijven minder leerlingen zitten in de voorexamenklas. De school die deze mogelijkheid wel aan zijn leerlingen biedt, loopt risico's: deze leerlingen tellen mee als doubleurs en schaden daarmee de kwaliteit. Aan dit soort zaken hecht onze school groot belang. Zoals hij ook openstaat voor (hoog)begaafde leerlingen die op andere scholen niet opgevangen kunnen worden; scholen dus die de kwaliteitskaart niet zo'n probleem vinden. De risico's zijn duidelijk aanwezig en zij beïnvloeden onze rendementsgegevens.

Hoe het vervolgens in het studiehuis moet gaan als de scholen zich niet meer durven wagen aan verandering is de vraag die de overheid zich mag stellen. Juist het studiehuis vraagt nadrukkelijk om ruimte voor eigen verantwoordelijkheid van de leerling. Het kan niet anders of de leerlingen maken daarbij verkeerde inschattingen. Scholen die daarop paniekerig reageren, zullen leerlingen niet aanmoedigen om zelf leerstrategieën te ontdekken. En daarmee lopen we het risico dat het onderwijs weer krampachtig wordt geregeld en de docenten er niet toe komen om de leerlingen te leren leren en hun verantwoordelijkheid te geven voor hun eigen leerproces. Het zou de zoveelste gemiste kans zijn.