Cultuurkloof

IN DE Verenigde Staten wordt ieder jaar een congres gehouden bedoeld voor mensen die op een of andere manier beroepsmatig bij het onderwijs zijn betrokken. Leraren, schoolleiders, bestuurders, onderzoekers, beleidsambtenaren, uitgevers, kortom iedereen ontmoet er iedereen. Aanvankelijk vroeg ik me af of dat wel zin had zo'n uiteenlopend stel mensen bij elkaar te drijven in enkele mammoethotels, waar een week lang een paar duizend papers over de meest uiteenlopende onderwerpen worden gepresenteerd.

In eerste instantie aangetrokken door de prettige oorden waar deze congressen zich plegen te voltrekken, ben ik in de loop der tijd steeds meer overtuigd geraakt van het nut ervan. Sterker nog: wat zou het goed zijn als wij in Nederland iets vergelijkbaars kenden, want 'bij ons' gaapt er een brede kloof tussen wetenschap en onderzoek aan de ene en de praktijk aan de andere kant.

Omdat opleiding en onderzoek vaak in dezelfde personen zijn verenigd, hebben ook de opleidingen meestal weinig kaas van de praktijk gegeten. Illustratief en eigenlijk te triest voor voorden is dat dezelfde personen die verantwoordelijk zijn voor de afstand tussen theorie en praktijk, daar onderzoek naar zijn gaan doen. Zij erkennen daarmee de kloof niet als een fout van de opleiding, maar als een door hogere machten ingegeven onontkoombaar probleem: de 'Praxis-shock'. Het lijkt op de verkeersdeskundige die een kruispunt ontwerpt waar het verkeer uit alle richtingen voorrang heeft en vervolgens onderzoekt hoe het komt dat iedereen er op elkaar knalt. Dat komt dus door de praxis-shock.

Een van de charmes van die Amerikaanse congres-opzet is dat er allerlei onderzoek wordt gepresenteerd waar weliswaar methodisch heel wat op is aan te merken, maar dat als voordeel heeft dat het gaat over problemen zoals die zich in de praktijk voordoen. In Nederland kennen we die traditie niet en daarom was het voor mij verrassend te ervaren dat het wel degelijk bestaat. In het kader van een bijscholingsprogramma dat zij volgden bij Interstudies in Arnhem, hadden directeuren van basisscholen opdracht gekregen een onderzoek uit te voeren. Eén daarvan had betrekking op oudere directeuren: hoe te verklaren dat zij vaak in de problemen komen, afbranden, en wat zou gedaan kunnen worden om dit te voorkomen. Nadat de onderzoekers de resultaten hadden toegelicht en beleidsaanbevelingen hadden gedaan, was het de beurt aan mij daarop te reageren.

Later viel me op dat er nog meer verschillen bestaan tussen de Amerikaanse en de Nederlandse onderzoekstraditie. Zo zijn Amerikanen veel beter dan wij in staat om kritiek op het werk los te koppelen van de persoon. Kritiek wordt er veel beter dan bij ons begrepen als noodzakelijk om van anderen te leren. Uit de reacties van de aanwezigen later in de wandelgangen begreep ik dat mijn kritische commentaar door sommigen als onvriendelijk was ervaren. Dat had natuurlijk niet alleen te maken met het ontbreken van een traditie op dit gebied. In dit soort situaties speelt namelijk nog iets heel anders een rol dat wij eveneens van de Amerikanen kunnen leren: zij verstaan de kunst om op een allercharmantste wijze commentaar te leveren zonder daarbij kool of geit ook maar in het minst te sparen, terwijl bij ons kool, geit en charme maar moeilijk samengaan. Of ben ik nu bezig mijn probleem tot cultuurkloof te verheffen?

    • Leo Prick