Bob Dylan

Een optreden van Bob Dylan is een belevenis, ook al doen nogal wat recensenten hun best hem af te schilderen als een bizarre geestverschijning uit een grijs verleden. Aan weinig krantenartikelen kan ik me zo ergeren als aan gemakzuchtig-arrogante besprekingen van Dylan-concerten door stukjesschrijvers die doen alsof ze tachtig zijn. 'Het blijft een mysterie dat een geluid dat het midden houdt tussen een angstige geit en een scheurend telefoonboek, toch zo mooi kan zijn', schreef Het Parool naar aanleiding van Dylans optreden afgelopen maandag in Rotterdam. Omdat ik erbij was in de Ahoyhal, heb ik met m'n eigen oren kunnen horen dat de vergelijking met geit of telefoonboek volledig mank gaat. Het enige wat in de observatie van de recensent overeenkomt met de mijne is dat het concert inderdaad mooi was. Waarom? Ja, dat zou ik nou graag eens door zo'n deskundige geformuleerd willen zien.

Er is niets zo moeilijk als onder woorden brengen wat grote kunst tot grote kunst maakt. In de Ahoyhal had iedereen waarschijnlijk zijn eigen reden om in vervoering te raken door de 57-jarige meester, die zich gedroeg alsof de tijden nooit veranderd zijn. Volgens het Algemeen Dagblad leek hij in het witte podiumlicht weliswaar op 'de dood van pierlala' (geen wonder dat er ruzie is op die redactie), maar tijdens de schaarse momenten dat het licht inderdaad wit was en Dylan dankzij een toneelkijker uitvergroot op mijn netvlies verscheen, zag hij er uitzonderlijk vitaal uit - en zo zong hij ook. Aan niets was te merken dat de man afgelopen zomer als gevolg van een gevaarlijke hartinfectie bijna dood was.

Zoals altijd bij een Dylan-concert zaten er in de zaal ook ware Bobcats, fans die al zijn concerten aflopen, die de Bobsites op Internet doorvlooien, elke stembuiging, elke frasering kunnen onderscheiden van wat Bob op willekeurig welke andere avond in een andere uithoek van de wereld ten gehore bracht tijdens zijn nooit eindigende tournee. Andere liefhebbers, minder devoot en monomaan, hebben weer andere redenen om een optreden van Bob Dylan te koesteren als een uitzonderlijke ervaring. Hoe je het ook wendt of keert, daar staat de verpersoonlijking van de muziek en de poëzie van de tweede helft van deze eeuw. Een artiest die de Amerikaanse cultuur uit lang vervlogen tijden heeft opgezogen, zijn tijdgenoten bijna altijd een stap voor is geweest en aan wie allen die na hem op de podia verschenen schatplichtig zijn.

Maar ook dat is nog geen doorslaggevende reden om een optreden mooi te vinden. Iemand kan grote betekenis hebben en toch passé zijn, aan lager wal raken, zichzelf herhalen, op vergane glorie teren, een imitatie of een karikatuur van zichzelf worden. Niets daarvan is bij Dylan het geval: hij blijft authentiek. Voor veel van zijn bewonderaars komt daar nog iets bij: een persoonlijke herinnering, de invloed die Dylan op hun eigen ontwikkeling heeft gehad. In mijn gevoel blijft hij - hoe ik zijn sombere laatste CD ook kan waarderen - primair de protestzanger van de jaren zestig, de woedende hippie-krullenbol die orde en gezag aan zijn Boots of spanish leather lapt. Ook al heeft hij altijd geweigerd woordvoerder van wie dan ook te zijn (It ain't me babe!), hij vertolkte wel degelijk de gevoelens van de zogeheten protestgeneratie. Toen Dylan maandag zijn Times They Are A-Changin' ten gehore bracht (as the present now/ will later be past/ the order is rapidly fading) kwam bij mij als vanzelf het bevrijdende, triomfantelijke gevoel van dertig jaar geleden boven.

Natuurlijk kan de betekenis van Dylan niet worden teruggebracht tot het zuiver anekdotische. Toch moet ik bekennen dat mijn gedachten bij het luisteren naar het imponerende geluid dat maandag de Ahoy vulde wel eens afdwaalden naar mr. G.B.J. Hiltermann. Als bij ons thuis de kinderen stil moesten zijn omdat mijn vader op zondagmiddag naar De toestand in de wereld luisterde, wist ik dankzij Bob, dat er andere toestanden in een betere wereld mogelijk waren. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de preekjes van G.B.J. mijn geest (en mogelijk ook die van sommige generatiegenoten) rijp hebben gemaakt voor Dylan. Toen Hiltermann in 1975 in Hervormd Nederland opmerkte dat de studentenrevolte van eind jaren zestig veroorzaakt is door 'kinderen uit de gegoede middenklasse' stak hij dan ook de hand in eigen boezem.

Ik was dus blij verrast de heren afgelopen woensdag samen in het nieuws aan te treffen. Voor mij horen ze bij elkaar. In dezelfde Volkskrant waarin naar aanleiding van het concert in Rotterdam 'de magische krachten van His Bobness' werden bezongen, maakte een zekere Hasan Kayak zich boos op Hiltermanns xenofobe radiopraatjes en op het feit dat die nauwelijks protesten uitlokken.

Sinds een paar jaar wordt Hiltermanns Toestand in de wereld niet meer op zondag maar op dinsdag uitgezonden, als gevolg waarvan het aantal luisteraars is gedaald van tweehonderdduizend naar ongeveer zestigduizend. 'Nog altijd een stadion vol', zeggen ze bij de AVRO, maar kennelijk toch niet genoeg om massaal protest uit te lokken tegen zijn uitspraak dat allochtonen 'etnische profiteurs' zijn die 'niets toevoegen aan de Nederlandse cultuur'. Hasan Kayak sprak de hoop uit dat de AVRO zich houdt aan zijn toezegging Hiltermanns columns voortaan voor de uitzending te zullen beluisteren. Volgens hem heeft de bejaarde commentator namelijk aangekondigd in dat geval te zullen opstappen.

Anders dan de heer Kayak zou ik dat jammer vinden, want Hiltermann levert sinds jaar en dag een interessante bijdrage aan 'onze' cultuur. Gelukkig leert een telefoontje naar de AVRO dat er nooit sprake is geweest van censuur vooraf. G.B.J. mag tot het einde der dagen doorgaan met zijn Toestand en daarmee - als hij tenminste zo in vorm blijft - wellicht opnieuw talloze mensen de barricades opjagen, uiteraard toegezongen door His Bobness: You red-baiters and race-haters ain't gonna rule my world'.

    • Elsbeth Etty