Bij een dominee op de achterbank

Als je je verdiept in je geboortejaar, ontkom je niet aan de indruk dat de wereld rond die tijd speciaal voor jou in gereedheid werd gebracht. Sommige dingen op het allerlaatste moment. Terwijl het doek al opgaat, wordt gauw nog even een stoel bijgeschoven op het toneel.

Dominee Beeuwkes - daar zou ik uit mijzelf niet meteen aan gedacht hebben, maar toen ik zijn naam eenmaal zag staan, zwaaiden de deuren van de herinnering open.

Je moet je voorstellen: ik zit zonder duidelijke bedoelingen een jaargang Velpsche Couranten door te bladeren. Mijn oog glijdt herhaaldelijk over de predikbeurten voor het komende weekeinde. Bij de Vrije Evangelische Gemeente wordt telkens ds Timmerman vermeld, en dat zegt me niks. En precies op 31 december 1946 voor het eerst: ds Beeuwkes.

Kleine man, een beetje buikig en blozend. Na zijn predikbeurten liep hij in zijn toga dwars door de pakhuisachtige ruimte, waar onze erediensten werden gehouden, naar de uitgang om iedereen persoonlijk de hand te drukken en Gods zegen toe te wensen. Gods zegen, dat was nog eens wat anders dan 'nou, aju dan maar'.

Het had weinig gescheeld of wij - mijn moeder, mijn zusje en ik - waren samen met deze man aan ons eind gekomen. Hij had een autootje. Op de achterbank van dat autotje moest je je opvouwen. Je zat met je kin op je knieën, net als wanneer je op zaterdag in de teil werd gedaan. Met dát autootje waren we mijn zusje gaan ophalen uit Herwijnen, waar ze bij familie hersteld was van een aandoening. In Elst dreigden we te worden verpletterd door een achteruitrijdende zandauto.

Dus twee dingen: er waren nog maar zo weinig auto's, dat je op iedere kennis een beroep kon doen als je er een nodig had, én als je uit de Betuwe naar Arnhem moest, ging je niet langs maar door een dorp als Elst.

Het moet in de eerste helft van de jaren '50 zijn geweest. Het zou me niet verbazen als daar nog oorlogsschade werd hersteld. Ik geloof dat het schuin tegenover de Nederlands hervormde kerk was.

Goed, wij waren vrij evangelisch, en als je dat zo zegt klinkt het alsof wij tamelijk evangelisch waren, maar het tegendeel was het geval - ontzettend evangelisch waren wij. Het was een blijmoedig geloof, dat uitbundig werd beleden, en vooral: bezongen (uit de liedbundel van Johan de Heer).

In het begin zaten we daarbij op uiterst eenvoudige stoelen, keukenstoelen. Het zou flauw zijn om te zeggen dat ik mij deze stoelen herinner - er staat er gewoon nog steeds een tegenover me op mijn kamer. Toen de gemeente zich nieuw meubilair kon permitteren, dat zal omstreeks 1955 zijn geweest, werd het oude onder haar lidmaten verkocht. Ik heb zeker driekwart van mijn werk zittend op die stoel geschreven. Op het ogenblik hangt er een groene sweater met een ijsvogeltje overheen.

Voor aanvang van de dienst moesten er achterin het zaaltje altijd stoelen aan de kant om ruimte te maken voor een invalidenwagentje. Ik bedoel zo'n gevaarte met een vooruitgeschoven voorwiel, dat werd aangedreven door het op en neer bewegen van twee lange stangen. Het wagentje van ... Riekie Jansen, heb ik dat goed? Zij was in verschillende opzichten een arme vrouw en voor zo iemand, zo begon ik het tenminste op den duur te zien, hadden wij precies het geschikte geloof. Het was niet gering wat er bij ons aan eeuwig heil in het vooruitzicht werd gesteld.

Ik herinner me broeder Delwig in de ouderlingenbank. Als dominee Beeuwkes elders verplichtingen had, mocht hij de kansel op. Zijn stem was strenger, zijn manier van preken vuriger. Als kind vermoedde (of fantaseerde) je dan een zekere rivaliteit tussen deze mannen, het leerstellige gezag van de één uitgedaagd door de evangelische passie van de ander.

Ik herinner me broeder Bakkenist. Ja, het was toch broeder Bakkenist die achter het gordijn boven de preekstoel het orgel bespeelde? (De verbazing dat ook de bijrijder op een motor met zijspan 'bakkenist' wordt genoemd, zal me mijn hele leven vergezellen). Deze geestverwant was verbonden aan de Utrecht, de verzekeringsmaatschappij met een monolithisch kantoorpand aan het Willemsplein in Arnhem. Ik heb geen idee welke functie hij er had. Maar al is hij daar portier geweest, door hem kwamen al die Utrecht-polissen bij ons binnen. Noem het netwerken. Het was in ieder geval een eenvoudige en overzichtelijke manier van zakendoen.

Zo herinner ik mij ook een broeder die chauffeur was bij Van Gend en Loos - de bijna mythische reputatie die deze firma daaraan in onze kring te danken had.

En ik herinner mij de verholen opwinding waarmee je je hand in de fluwelen muil van het collectezakje stak - omdat de gedachte wat je daar wel niet uit zou kunnen halen, toch nooit helemaal te vermijden was.

Drie collectes per dienst. Mijn moeder gaf ons altijd drie kwartjes mee.

Ik zat in Arnhem op de Talmaschool. In de zesde klas trok ik op met een jongen uit een gezin dat gereformeerd was. Zijn vader zat bij de politie; ze zullen het niet breed hebben gehad. Maar dat was niet wat ik dacht, toen ik ontdekte dat hij maar een stuiver, of zelfs twee centen, meekreeg voor de collecte in hún kerk. Toen dacht ik alleen maar dat ons geloof oneindig superieur was aan het hunne.

Ik moet een jaar of twaalf zijn geweest - oud genoeg om in m'n eentje naar Velp te fietsen en naar de kerk te gaan - toen ik een keer te laat kwam.

Ik stond nog in het witgepleisterde gangetje bij de consistoriekamer, toen het inleidende orgelspel stokte en de gemeente haar eerste gezang inzette.

Ik durfde niet.

Ik durfde niet ten aanschouwen van al die zingende mensen naar binnen te gaan en een plaatsje te zoeken.

Dus ik weer naar buiten en even later liep ik op de Noorder Parallelweg langs het roestige gaas van de spoorbaan, en ik vroeg me af hoe ik het volgende uur in godsnaam moest doorkomen, en opeens werd ik me bewust van de kwartjes in mijn broekzak. En toen raakte ik pas goed in gewetensnood.

Normaal was ik heel goed in staat een paar kwartjes te beschouwen in termen van dropveters of salmiak of Mekka's, maar dit waren geen normale kwartjes, deze kwartjes waren gewijd, offergeld.

Ik heb ze op het spoor gegooid.

Nu gebeurt het nog weleens, misschien eens per jaar, dat ik de trein van Arnhem naar Zutphen neem. Dan ga ik zo zitten dat ik, als we door Velp komen, even naar het kerkje van ons kan kijken. Ja, daar was het. En dan herinner ik me die drie kwartjes. Dan fantaseer ik dat ze er nog liggen, of liever: dat ze nu door iemand, waarschijnlijk een spoorwegman, tussen het steenslag worden gevonden, en dat die persoon wéét hoe ze daar terechtgekomen zijn, en dat die zijn hoofd begint te schudden, en denkt: nou ja, hij geloofde in God.