Benen, vuisten, lippen op slot poëziefestival

ROTTERDAM, 20 JUNI. Van andere mensen maak je je liever geen voorstelling hoe het er uitziet wanneer ze de liefde bedrijven, en dat geldt ook voor dichters. Het had daarom iets mals, de afsluiting van Poetry International. Ruim twintig deelnemers lazen gisteravond gedichten over het lichaam en een groot deel daarvan ging over de geslachtsdaad of wat daar aan vooraf gaat.

Grappig was het ook. De Fransman Bernard Heidsieck klaagde bij voorbeeld over 'de handvol zeldzame cellen' die 'het automatisme' van zijn 'benenwerk regelen'. Over het podium heen en weer lopend las hij zijn gedicht, dat uitkomst biedt in geval van een ongewenste erectie: “deze zin, telkens weer herhaald, gedurende vijf minuten, almaar luider en luider, terwijl je loopt, kan een grote rol spelen / ik verzeker het jullie / bij het bezweren van de obsessie die jullie brutaal zou kunnen overvallen, op straat bijvoorbeeld, bij het zien van die duizenden benen in werking, mechanisch bewegend als een schaar / om eventueel tot het besluit te komen / Alstublieft, blijf niet overeind...!” En vervolgens begon Heidsieck, tot hilariteit van het publiek in de Rotterdamse Schouwburg, de zin te herhalen.

De schouwburg was trouwens goed gevuld. Poetry International trok dit jaar ruim 5000 bezoekers, iets meer dan vorig jaar. De echte poëzieliefhebber laat zich dus niet weerhouden door een WK voetbal.

Natuurlijk bood het thema 'Op het lijf' gelegenheid tot het lezen van romantische gedichten. De stap van romantisch naar pornografisch leek in de poëzie gisteravond niet zo heel groot. Wat bijvoorbeeld te denken van Bovenlaken van de Chileen Óscar Hahn: “Ik ging zorgvuldig opgevouwen / tussen het witgoed in de kast liggen / Jij haalde de lakens voor je bed eruit / en gebruikte mij als bovenlaken / jij gleed onder de dekens / en ik bedekte je centimeter voor centimeter.” En als er een poëziekeuring bestond, dan had Craig Raine's Aarsgat zeker de kwalificatie 'niet geschikt voor lezers onder de achttien jaar' gekregen.

Maar er waren ook nog wat onschuldiger gedichten te beluisteren, zoals het mooie Bang van Anna Enquist, over een bezoek aan de tandarts. “(...) Er was een steekspel / in de binnenste kaakhoek, het liet mij / een halve tong en nam een wang. / De hand weet waar lip was. Lip / is roken en kussen verleerd, kent / geen tanden meer en laat zich dragen.”

“Is er een lichaamsdeel dat u niet heeft, maar wel zou willen hebben?”, vroeg presentator Rik Zaal aan Enquist. “Oorleden”, antwoordde zij ad rem. “Zodat je net als met oogleden bij je ogen, af en toe je oren dicht kunt doen.”

De vragen die Zaal de dichters bij het betreden van het podium stelde - “Welk lichaamsdeel haat u het meest?”, “Heeft u enig idee waar de lurven zitten?” - wekten ergernis bij de deelnemers. Nadat enkelen hun antwoord al hadden beperkt tot een kort “nee” of “geen idee”, zei de Sloveen Boris A. Novak domweg: “Ik ben niet in de stemming om uw stomme vragen te beantwoorden.” Moedig probeerde Zaal het daarna nog een keer bij zanger Joop Visser. “Is er een lichaamsdeel dat los van het lichaam anders is dan er aan vast?”, vroeg hij hem. Maar Vissers antwoord was dodelijk: “De vuist.”

    • Jeroen van der Kris