Bankierswaarheid in New York

Bankiers in New York verstrekken graag dollars aan de Russische regering. De rente is namelijk 50 of 75 procent per jaar hoger dan op een normale lening. Met deze extreem hoge rente kan de New-Yorkse bankier zijn geld binnen twee jaar verdubbelen, als de Russische regering het vertrouwen houdt en betrouwbaar blijft. 'Betrouwbaar' betekent hier dat Russische onderwijzers, ambtenaren en AOW'ers drie tot vijf maanden moeten wachten op hun salaris, maar buitenlandse financiers geen dag uitstel hoeven te accepteren op rente en aflossing. Zodra de Russische regering een andere indruk zou wekken, roepen de New-Yorkse bankiers dat het hele wereldgeldstelsel in dodelijk gevaar verkeert. De Amerikaanse minister van Financiën Rubin zet het Internationale Monetaire Fonds onder druk om behulpzaam te zijn en president Clinton belt met zijn collega's in de G7: 'Russia? Africa with nuclear weapons'. De bankiers gokken dat die druk voldoende is om doorbetaling te garanderen en verstrekken dus nog steeds dollars aan Moskou. Ze noemen het 'moral hazard loans', een economische uitdrukking die betekent dat het zo duur lenen van dollars al lang niet meer van belang is voor de gemiddelde Russische burger, maar alleen nog voor de financiers.

En zo is het precies. De Russische burgers zijn nu beter af dan wanneer hun regering de dollarinkomsten uit de verkoop van gas en olie niet meer overmaakt naar New York ter betaling van woekerrente, maar gebruikt voor het eigen land. Bij een officieel faillissement zullen de bankiers het nodige misbaar maken. De dollars die Rusland zo uitspaart zijn echter hard nodig voor een programma om in het binnenland gangsters en corruptie te bestrijden, bijvoorbeeld door verhoging van de salarissen van politie, justitie, douane en belastingdienst.

Hoe sneller Rusland een rechtsstaat wordt, des te groter is de kans dat de hervormingen doorgaan. Over een paar jaar is er dan juist veel meer eerlijk werk te doen voor de bankiers uit New York. Als het land kan investeren in de opbouw van een rechtsstaat wordt bovendien het gevaar kleiner dat Russische generaals kernwapens gaan verkopen.

In Indonesië is niet de staat failliet, maar het bedrijfsleven. En ook daar moeten buitenlandse schuldeisers hun verlies nemen, omdat het voorkomen van een burgeroorlog op dit moment veel urgenter is. Door de financiële crisis is het complete binnenlandse betalingsverkeer tot stilstand gekomen, zodat ook gezonde bedrijven geen geld meer ontvangen van hun klanten. Door de huidige wisselkoers zijn de meeste exporterende bedrijven bovendien failliet. Indonesië moet dus overgaan tot een geldzuivering en binnenslands zo snel mogelijk weer de onderlinge leveringen tussen bedrijven opstarten. Dan is er - net als bij ons in 1945 - even geen geld voor buitenlandse schuldeisers.

De financiële crisis in Japan is bedreigend voor de wereldeconomie. Een depressie in Japan is gevaarlijk voor heel Oost-Azië. In Korea, Maleisië en Thailand krimpt de economie en die landen hebben nauwelijks zoiets als onze bijstandswet. Er heerst armoede en honger; er dreigt politieke instabiliteit. In Japan zelf moeten banken en verzekeraars schoon schip kunnen maken. Anders komen ze in de verleiding hun bezit aan Amerikaanse overheidsobligaties te verkopen waardoor de wisselkoers van de dollar, de rente of de aandelenbeurzen zouden kunnen instorten. Ook wij in Nederland hebben dus een direct economisch belang bij een oplossing voor de crisis in Japan.

De kern van het probleem gaat terug tot 1990. Toen begonnen de Japanse grond- en huizenprijzen aan een lange daling die nog steeds niet tot stilstand is gekomen. De gespecialiseerde Japanse hypotheekbanken (Jusen) gingen ten onder, en dus begonnen ook de grote banken in problemen te raken, die op hun beurt weer geld hadden geleend aan de Jusen. De Japanse regering had beloofd om de banken te helpen met hun verliezen op de Jusen, om zo paniek bij de rekeninghouders te voorkomen.

Inmiddels zijn er zo veel financiële instellingen failliet gegaan dat het Japanse publiek nerveus is. De commerciële banken zien hun rekeninghouders vertrekken naar de Japanse postgiro. De regering leent geld bij de giro om nog maar eens extra wegen, tunnels of bruggen te bouwen. Dat laatste geeft weliswaar enig soelaas aan de wegenbouwers, maar werkt verder averechts. Al dat extra beleid veroorzaakt zorgelijk nieuws over het financieringstekort, zodat de nerveuze burgers nog minder besteden in de winkels. De prijzen in de winkels dreigden dit jaar met twee procent te dalen en dat betekent dat de prijzen van grond en gebouwen nog sneller naar beneden duiken.

Sinds 1990 heeft de Japanse regering 950 miljard gulden extra geleend om de economie op te krikken. Dat heeft niet geholpen omdat wegen, tunnels en bruggen niet het goede recept zijn voor een crisis in het bankwezen. De grote les uit de jaren dertig geldt nog steeds: als een crisis leidt tot deflatie, dus tot dalende prijzen, moet de regering niet geld lenen, maar geld drukken. Zo kwam Amerika vanaf 1933 uit de grote depressie, en zo kan ook Japan de crisis het best bestrijden. Daarom moet Japan nu moedwillig enige inflatie creëren en de Bank of Japan opdracht geven om net zo lang geld te drukken tot de prijzen van grond en gebouwen weer duidelijk omhoog gaan. Dat is dan ook een goed moment om te bepalen welke banken toch maar moeten worden overgenomen of gesloten en welke financiële instellingen mogen blijven bestaan. Een sterfhuisconstructie kan dan helpen om de slechte leningen af te zonderen van de goede kredieten.

Ik denk dat het officieel inzetten van de bankbiljettenpers om deflatie om te buigen tot inflatie direct kan leiden tot herstel van vertrouwen. Dan is de Japanse werkeloosheid nog niet op z'n retour, maar kunnen burgers en bedrijven weer gaan plannen voor een betere toekomst. Betekent het draaien van de geldpers dat de wisselkoers van de yen nog veel verder moet dalen? Dat weet niemand.

Hoge inflatie leidt altijd tot een zwakkere wisselkoers, maar in het geval van Japan is het doel niet permanente inflatie maar slechts een snel einde aan de huidige deflatie in alle prijzen. Mij lijkt dat het perspectief op een einde aan de crisis even goed kan leiden tot een meer stabiele wisselkoers, wanneer beleggers inzien dat de Japanse burgers - net als altijd en overal - makkelijker besteden en investeren bij nul tot twee procent inflatie dan bij dalende prijzen.

Conclusie: twee landen moeten de belangen van hun burgers laten voorgaan boven die van de buitenlandse bankiers. Japan kan met de geldpers veel grotere rampen voorkomen. En als u het niet met mijn analyse eens bent - monetaire economie is natuurlijk controversieel - bedenk dan in ieder geval dat ik in Breukelen geen ander belang heb dan de waarheid te dienen. Bij de bankiers in New York ligt dat toch even anders.

    • Eduard J. Bomhoff